Recensie —

Le Corbusier als Humpty Dumpty

Herman van Bergeijk

Het bijhouden van alle publicaties die over Le Corbusier verschijnen, is een levenstaak. Elk jaar worden er weer nieuwe studies gepubliceerd over de meest uiteenlopende onderwerpen. Bij sommige van deze studies kan men zich afvragen wat de toegevoegde waarde daarvan is, maar buiten kijf staat dat Charles-Edouard Jeanneret, die zichzelf rond 1920 Le Corbusier begon te noemen, een van de meest intrigerende figuren is uit de contemporaine architectuurgeschiedenis.

Ook al denk ik dat nu wel alles bekend is over het wel en wee van Le Corbusier dan blijken er opeens feiten naar boven te komen die onbekend waren en een ander licht lijken te werpen op deze architect. Een voorbeeld hiervan is het boek Le Corbusier and the Occult (MIT Press, 2009) van J.K. Birksted waarin de banden tussen LC en de maçonnieke wereld op degelijke wijze worden onderzocht. Birksted gebruikt bronnen die nog nauwelijks geraadpleegd zijn en gebruikt onderzoeksmethoden die een detective niet zouden misstaan. Een van de zijn vondsten is een brief aan de kunstenaar Josef Tcherv uit 1928 die ondertekend is door LC én Ch.E. Jeanneret. De brief maakt duidelijk wat de rol van Le Corbusier is en wat de rol van Charles-Edouard Jeanneret is in het leven van de architect. ‘Le Corbusier creates architecture, recklessly. He pursues disinterested ideas; he does not wish to compromise himself in betrayals, in compromises. .. Jeanneret Ch. E. also paints, because, though not a painter, he has always been passionate about painting and always has painted – as an amateur’.
Het blijft niet bij deze ontdekking. Birksted weet overtuigend aan te geven hoezeer LC beïnvloed was door de Franse 18de eeuwse architect François-Joseph Belanger, die in vrijmetselarij kringen in hoog aanzien stond. Al met al biedt het boek van Birksted een onverwacht frisse kijk op LC en zijn Zwitserse wortels ook al blijft het architectonische werk een beetje onderbelicht. Birksted laat zien tot welke wereld LC zichzelf wilde rekenen en hoe hij zorgvuldig heeft alle sporen met betrekking tot zijn afkomst probeerde te wissen en later zelfs te ontkennen. Hiervoor wordt diep doorgedrongen  – soms wel overdreven diep – in de kleine samenleving van Chaux-de-Fonds waarin LC opgroeide.

Een boek dat eveneens een verassend nieuw beeld van de Zwitserse architect geeft, is geschreven door Tim Benton. In The Rhetoric of Modernism: Le Corbusier as a lecturer (Birkhäuser, 2009) reconstrueert Benton enkele lezingen die LC in de jaren twintig hield. Benton maakt daarbij gebruik van het vele materiaal dat in de Fondation Le Corbusier wordt bewaard maar dat nauwelijks werd geconsulteerd omdat het zo moeilijk kon worden teruggebracht tot een begrijpelijk geheel.
LC maakte voor zijn lezingen gebruik van tekeningen, op papier neergepende sleutelwoorden en fragmenten van overwegingen. Uit de reconstructie blijkt dat LC vooral uit was op het verkrijgen van een zeker effect op zijn toehoorders en dat hij dit effect magistraal wist te ensceneren. Prachtig is opnieuw een citaat van LC uit een interview uit 1951: ‘I adopted my own very individual technique. I never prepared my lectures. […] This improvisation is a wonderful thing: I made drawings […] in the early days, I worked with chalk, coloured chalks on a blackboard, always assuming there was one. And when you draw on the basis of words, you draw with useful words, you create something. And my whole theory – my introspection and my reflection on the phenomena of architecture and urbanism, derives from these improvised and illustrated lectures’.
Benton maakt op overtuigende wijze duidelijk dat de zaak veel gecompliceerder is dan de beroemde architect in het citaat aangeeft. Bij zijn lezingen is zeker geen sprake van improvisatie maar van zorgvuldig geplande gebeurtenissen waarbij alles van tevoren is beraamd en ingecalculeerd. The Rhetoric of Modernism: Le Corbusier as a lecturer is zonder twijfel aanbevelenswaardig. Ook Benton kan alleen worden verweten dat hij de architectuur nauwelijks bij zijn betoog betrekt maar dat is gezien het onderwerp van zijn studie ook niet storend, en bovendien heeft Benton met eerdere studies over LC reeds bewezen dat hij ook de architectuur op indringende wijze onder de loep kan nemen.

Bovengenoemde publicaties voegen zeker iets toe aan het beeld dat er van LC is, of zoals  William Curtis onlangs in de AA Files (nr. 58, 2009) schreef: ‘there is no single key to the enigmatic world of Le Corbusier’. Curtis kan het weten. Hij heeft in mijn ogen met Le Corbusier: Ideas and Forms (Phaidon, 1986) een van de meest opmerkelijke overzichtsboeken over LC geschreven, een boek dat nog niet echt geëvenaard is. De recente herdruk van het werk van Stanislaus von Moos, Le Corbusier. Elements of a synthesis (010, 2009), is weliswaar geheel herschreven en blijft een degelijke studie maar Von Moos waagt zich nauwelijks op paden die niet reeds door anderen zijn platgetreden. Zijn boek mist daardoor toch een sprankeling die we in enkele deelstudies kunnen terugvinden en door het ontbreken van een zakenregister is het als naslagwerk onbruikbaar. Ook het heruitgegeven Raumplan versus Plan Libre (010, 2009) van Max Risselada heeft door de gehanteerde ‘facelifting’ niet echt aan frisheid gewonnen. Het analytisch vermogen dat in het boek wordt geïllustreerd, houdt nauwelijks stand tegenover de lawine van boeken die sindsdien het beeld van Loos en Le Corbusier misschien niet hebben veranderd, maar wel verdiept. Was de invalshoek van Beatriz Colomina's bijdrage twintig jaar geleden verrassend, nu komt zij belegen en uitermate geforceerd over; het koketteren met ‘media studies’ is thans oudbakken. Meer bij de tijd is het immense boek dat door Jean-Louis Cohen en Tim Benton is verzorgd. Le Corbusier Le Grand  (Phaidon, 2009) volgt de ‘mode van de aan obesitas lijdende’ boeken, maar biedt niettemin een hoeveelheid aan documenten die het als naslagwerk een bepaalde waarde geven: men kan als het ware grasduinen in overgeleverde documenten uit het nalatenschap van LC. Feit blijft dat die nalatenschap behoorlijk gemanipuleerd is door de beroemde architect zelf die elk aspect van zijn leven heeft gewogen of het bijdroeg aan het totaalbeeld dat hij van zichzelf wilde scheppen.

De vraag is of al deze boeken een dam hebben weten te werpen in de voortdurende stroom van publicaties over LC. Het antwoord zal zijn: beslist niet. Sommige publicaties zitten elkaar ook niet in de weg en zijn gericht aan de specialisten. Zo is het boek van Leo Schubert La villa Jeanneret-Perret di Le Corbusier 1912. La prima opera autonoma (Marsilio, 2006), een schitterende studie over dit vroege werk van LC, maar in het Italiaans. Dit liet weer ruimte die gevuld werd door Klaus Spechtenhauser en Arthur Rüegg met het door hun uitgegeven Maison Blanche. Charles-Edouard Jeanneret. Le Corbusier (BirKhäuser, 2007), een werk dat schatplichtig is aan het boek van Schubert. Het onderwerp lijkt van geringe interesse maar juist door dit soort detailstudies wordt duidelijk dat het beeld dat LC van zichzelf creëerde, steeds meer barsten begint te vertonen. Het huis voor zijn ouders wordt getransformeerd tot een sleutelwerk in het oeuvre van LC, zelfs wanneer de architect dit eigenlijk nooit heeft bevestigd. De spanning loopt op. Wat voor de publicatie over het huis Blanche geldt, kan worden herhaald over het boek Le Corbusier and the Maisons Jaoul  (Princeton Architectural Press, 2009) van Caroline Maniaque Benton. Een woonhuis van LC dat vrijwel altijd in de schaduw staat wordt hier goed belicht. Aan de hand van de uitgebreide documentatie wordt de gecompliceerde geschiedenis achterhaald. Dat Maisons Jaoul vooral in de Engelstalige wereld veel invloed heeft gehad, blijkt ook uit het boek Le Corbusier and Britain. An Anthology (Routledge 2008) van Irena Murray en Julian Osley. Krijgt de lezer aanvankelijk de indruk dat het hier om een afgezaagd onderwerp gaat, de auteurs brengen het wel op een uitputtende wijze naar voren. Critici als Banham, Summerson en James Stirling hebben bijgedragen aan het specifieke Engelstalige beeld van LC dat schippert tussen blinde adoratie en venijnige haat. Ook enkele toespraken van LC zijn in de publicatie opgenomen waaronder die uit 1953 waarin hij zijn verhouding tot de geschiedenis omschrijft als ‘I have always had my feet in the past, and my head in the past too. My roots are in the past…’, een uitspraak waarover vele architecten eens mogen nadenken.

Is daarmee alles gezegd? Er zijn nog enkele thema’s die zeker aandacht verdienen en er zijn nog een paar LC boeken die op een herdruk wachten. Het onder naam van Jeanneret gepubliceerd boek over de stand van de decoratieve kunsten in Duitsland rond 1910 is recentelijk door het Vitra Design Museum met twee lange inleidingen in het Engels vertaald, maar waar blijft de herdruk van dat toentertijd zo schitterend uitgeven Des Canons, des munitions! Merci, des logis … s.v.p. uit 1937, dat nog steeds een actuele betekenis kent. En weten we nu, dankzij het boek van Birksted meer over LC, Belanger en de 18de eeuwse Franse cultuur, een onderzoek naar de relatie tussen LC en zijn landgenoot Jean-Jacques Rousseau laat nog op zich wachten. Te verwachten is dat het beeld van de architect steeds meer zal verbrokkelen en uiteen zal vallen in stukken die niet meer aan elkander kunnen worden geplakt. Dat is een realiteit waarvan we de consequenties onder ogen moeten zien en ons afvragen wat dat betekent.