Feature —

Vijf Rotterdamse Stadskantoren ter beoordeling

Piet Vollaard

Rotterdam heeft ambities, met de stad en met de rol van de architectuur in de stad. Ambities die de stad hoopt te verwezenlijken door een nieuw stadskantoor ‘van allure’ . Vandaag zijn vijf ontwerpen voor het Rotterdamse Stadskantoor gepresenteerd. Voordat de jury een eindoordeel over deze plannen geeft zijn ze te bezichtigen in het NAi en (later) in het City Informatiecentrum.

De opgave bleek niet gemakkelijk, daarover waren de deelnemende architecten (Claus en  Kaan,, Mecanoo icm Kossman.deJong en Wubbo  Ockels, Meyer en van Schooten icm Fritz, OMA icm abt, SeARCH icm Christian Müller) het in elk geval eens. Een vol programma: wonen, werken en publieksfuncties gemengd, een aantal lastige eisen ten aanzien van de positionering in de stad en het behouden van een bestaand kantoorgebouw uit de vroege wederopbouwperiode. Dat alles natuurlijk met de hoogste graad van duurzaamheid en toparchitectuur. Je kunt je afvragen of zoveel ambities en wensen volledig kunnen worden gehonoreerd op zo’n lastige locatie. Waarschijnlijk niet, en dus is het de vraag welke keuzes de plannen laten zien. Die vraag is echter lastig te beantwoorden. Een eerste indruk is toch vooral dat de deelnemers zich strikt (braaf?) aan het gevraagde programma hebben gehouden. Begrijpelijk is dat wel, want wie dat niet doet loopt een grote kans om genadeloos uit de beoordeling te worden gehaald. Voor een discussie over het programma en de stedenbouwkundige uitgangspunten is het dus te laat.

Alleen Mecanoo, dat de gevraagde woningbouw in een aparte toren onderbrengt (en daarmee de weg opent naar het niet of later realiseren van dit onderdeel), lijkt dit discutabele deel van de opgave te kritiseren. OMA ontloopt de discussie listig door een voorstel dat zich nauwelijks uitspreekt over de differentiatie van de programmaonderdelen en (daardoor) gemakkelijk kan worden aangepast op veranderingen in de opgave.
De Stadswinkel, alle gemeenteloketten bij elkaar, is de enige publieke ruimte in het programma. Ook in de aanpak van dit programmaonderdeel ontlopen de plannen elkaar niet echt. Meestal is er sprake van een grote centrale (atrium-) ruimte die aanhaakt op de gevraagde stedelijke routing door het gebouw. In het voorstel van Search is deze ruimte nog het meest gedifferentieerd, bij OMA het meest ongedifferentieerd (dankzij 3D Vierendeel constructie is het begane grond niveau geheel vrij voor ‘ improvisatie’ ). Mecanoo toont spektakel, Claus en Kaan en Meyer en Van Schooten doen het kalmer aan.

Zelfs de architectuur van de vijf plannen vertoond minder onderlinge afwijking dan je zou verwachten bij dit illustere gezelschap. Ook hierin wijkt Search met een aantal cilindrisch torens het meest af van de standaard. OMA presenteert (net als bij het oude voorstel voor het stadshuis in Den Haag) zowaar een haast structuralistisch, of tenminste Team 10–achtig ontwerp skelet. Claus en Kaan en Meyer en Van Schooten volgen het meer modernistische beeld van Rotterdam, terwijl Mecanoo aansluiting zoekt bij de neutrale wederopbouwarchitectuur van het bestaande Stadstimmerhuis. Het zijn verschillen, maar ze zijn in wezen marginaal.
In hoeverre de voorstellen daadwerkelijk duurzaam zijn, in hoeverre het programma er werkelijk soepel in is ondergebracht, of het budget gehaald wordt; dat zijn zaken die pas te beoordelen zijn bij vergaande bestudering.
Krijgt Rotterdam nu de zo gewenste ‘ toparchitectuur’?. Prima ontwerpen, daar niet van, maar om een uitgesproken architectuur te krijgen moet je als opdrachtgever vrijheden durven toe te staan. Het lijkt er op dat de opgave dit keer te dicht getimmerd was om tot eigenzinnige architectonische keuzes te komen. Misschien is dat ook niet erg. Misschien is een zekere neutraliteit en terughoudendheid hier wel op zijn plaats. Sterker, misschien had een wat realistischer ambitieniveau en een wat minder overladen programma juist betere, meer ontspannen ontwerpen opgeleverd.

De plannen zijn op dit moment te zien in het NAi, later in het City Informatiecentrum. Uitdrukkelijk worden de Rotterdammers gevraagd om hun mening over de plannen te geven. Wat de jury daar vervolgens mee doet is onduidelijk (ze serieus nemen, mogen we aanmenen). Het is de vraag of er vanuit het publiek een zinvolle bijdrage kan komen als de ontwerpers niet de kans krijgen hun plannen mondeling toe te lichten. De uitgangspunten liggen dicht bij elkaar en laten zich niet gemakkelijk uit de gepresenteerde plannen zelf destilleren. Zonder extra uitleg wordt het waarschijnlijk een potje reageren op de leuke plaatjes. Misschien kan er nog een publieke toelichting (al of niet met debat) worden georganiseerd?

—-