Nieuws —

Bij nader inzien: de bibliotheek van Furness als modern wonder

Herman van Bergeijk

Komend vanuit het stadscentrum van Philadelphia, waar het oude stadhuis met een beeld van William Penn op de toren een dominante en markante verschijning tussen de glazen hoogbouw is, lijkt weinig nog te kunnen ogen als bijzondere architectuur. En toch, aan de andere kant van de Schuykill River, op het campus terrein van de University of Pennsylvania, staan twee gebouwen die wat mij betreft bijzondere aandacht verdienen.

Het ene is het beroemde Richards Medical Research Laboratory and Biology Building, gelegen aan de Hamilton Walk. Dit gebouw, in 1957 ontworpen door Louis Kahn, net tot professor benoemd, behoeft geen nadere introductie. Het geldt als een icoon van de moderne architectuur. Minder bekend, maar evenzeer in het oog springend, is het gebouw dat Frank Furness als bibliotheek van de Universiteit ontwierp. Dit gebouw, waarin de bibliotheek van de architectuurfaculteit is ondergebracht, fungeert als een soort baken voor de hele campus. Eenieder die student is geweest aan de universiteit van Pennsylvania kent de bibliotheek van Furness. Niet als een icoon, een abstract teken, maar als een bouwwerk dat moeilijk onder woorden valt te brengen. De grillig- en eigenzinnigheid straalt ervan af. Er lijkt niets modern aan en toch is het een modern gebouw dat de tegenstrijdigheden van het moderne denken op eenduidige wijze illustreert. Het programma van eisen en de functies worden duidelijk herkenbaar tot uitdrukking gebracht in de verschillende delen van het gebouw.

Frank Furness ontwierp meer dan zeshonderd gebouwen. De meeste zijn inmiddels afgebroken en van velen is geen spoor meer terug te vinden. De Pennsylvania Academy of Fine Arts (1876) was al een hoogstandje van ongerijmde architectuur. Maar de in 1888 ontworpen bibliotheek zal dat nog overtreffen. Het lijkt erop alsof Furness met dat gebouw de lelijkheid wilde thematiseren. Het geheel is alles behalve mooi, alhoewel de details soms van een vreemdsoortige schoonheid zijn. Het gebruik van ornamenten was nog geen misdaad. Het gebouw is het resultaat van een componeren met elementen die niet of nauwelijks met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht. Het eindproduct lijkt een gotische kakofonie, maar eigenlijk is er geen enkele sprake van stijlbegrip.

Het succes van de bibliotheek was aanvankelijk groot, tenminste onder het grote publiek. De architectuurtijdschriften namen nauwelijks notie van Furness’ werk. Hij werd enigszins geboycot. In Harper’s Weekly  – ‘A Journal of Civilization’ zoals de ondertitel van het tijdschrift luidde – werd in een lang artikel aandacht besteed aan zijn nieuwste werk. Wellicht was zijn broer, de Shakespeare-kenner Horace Howard Furness daarvoor verantwoordelijk. Die genoot veel aanzien en had ook de opdracht voor zijn broer binnengehaald. De vakgenoten spraken daarentegen slechts van een ‘architectonische aberratie’.

Het gebouw is grotendeels opgetrokken uit rode zandsteen, andere natuurstenen en terracotta stenen. Zeker het representatieve gedeelte is indrukwekkend. Het leek wel een kasteel of kathedraal. Eigenlijk kon men het niet thuisbrengen, en toch was het ontwerp innovatief en geheel volgens de geldende normen voor het bibliotheekwezen. Furness pretendeerde alleen niet dat het geheel een eenheid zou zijn. In tegendeel, de verschillende delen waren zonder pardon naast elkaar geplaatst. De zware, gedrongen toren met het grote raam en de daarvoor gelegen portiek ontsluit de vijf verdiepingen die voor het merendeel bestaan uit kleinere kamertjes. De grote leeszaal is direct bereikbaar en krijgt overvloedig licht vanuit een hoog gelegen dakraam. De halfronde of hoefijzer vorm van dit gedeelte van het gebouw wekt inderdaad de indruk dat er een koor is gemaakt. Aan de andere kant van de toren ligt het boekendepot, waarbij gebruik is gemaakt van een glas en staal constructie. Door het gehanteerde modulaire systeem zou het depot gemakkelijk uit te breiden zijn, maar die uitbreiding kwam er niet.

Al spoedig spraken velen alleen nog maar van de lelijkheid van het gebouw. Het museum, dat aanvankelijk in het bouwwerk was ondergebracht, werd naar elders overgebracht en enkele tientallen jaren later werd het boekendepot bekleed met bakstenen en achter nieuwe vleugels verborgen. Men schaamde zich voor het uiterlijk van de bibliotheek. Dat de leeszaal met de kleine, koddige zuilen en de enorme open haard een oase van rust vormt in een hectische universiteit werd niet gezien. Studenten kunnen wegduiken in het pluche van de zware meubels. Dit doen ze al sinds geruime tijd.

Toen Kahn aan het bouwen was op de campus was de waardering voor Furness nog niet erg groot. Kahn kon zich niet verwonderen. De belangstelling werd langzaamaan echter door anderen gewekt. Vooral de als postmodern beschouwde architect Robert Venturi, wonend in Philadelphia, deed het nodige om het imago van Furness op te poetsen. In zijn baanbrekend boek Complexity and Contradiction in Architecture uit 1966 wordt Furness met lovende woorden genoemd. Venturi zag in hem een voorganger en was niet in staat het moderne en het radicale van het werk van Furness te doorgronden. Venturi bleef aan het oppervlakte hangen, aan het formele, en zag niet dat Furness culturele fenomenen schiep die zijn tijd in een ander licht toonden. Toen in 1996 door Princeton Architectural Press een overzichtboek van het oeuvre van Furness werd uitgebracht schreef Venturi een voorwoord. Hij gaf toe dat hij Furness benaderde als een architect en zelf schreef als een ‘rather old architect’. Hij benadrukte de tegenstrijdigheden in zijn gebouwen. Het mooie naast het lelijke, het grove naast het verfijnde. Maar Furness als moderne architect betitelen dat lukte hem niet.

Furness is modern, of we daar nu een woordje voor zetten of niet. Meng Furness met Frank Lloyd Wright en in meerdere opzichten staat er een wieg voor Rem Koolhaas klaar. Furness zoekt niet naar een stijl maar laat functionele aspecten het uiterlijk van het gebouw in grote mate bepalen. Details corrumperen de gestalte vervolgens weer, bizarre details die niet gebaseerd zijn op een historische studie maar op een persoonlijke interpretatie. Hij zoekt contrasten in vorm, materiaal en functie en accentueert deze vervolgens. Het niet handhaven van de ordonnantie volgens de Beaux-Arts traditie en het niet schematische spel met volumen gaven een vrijheid in de rangschikking van de architectonische en ruimtelijke onderdelen die als een radicale breuk met de geschiedenis kan gelden. Bij Furness wordt representatie ondermijnd en verbrokkeld, maar zijn bouwwerken blijven een zekere elegantie bezitten, ook al is die moeilijk onder woorden te brengen. Misschien is hij ook wel het prototype van de ‘Mann ohne Eigenschaften’ uit de bekende roman van Robert Musil. Hoe het ook zij: de bibliotheek wordt als een monument behandeld. Zij wordt thans wel genoemd een ‘citadel of learning’, maar dat leren veronderstelt wel een activiteit die gericht is op het bestuderen. Waar kan dat beter dan in dit monument van Furness, dat merkwaardig gedrocht?