Opinie —

De Lange Wapper: een aannemersbrug

Gideon Boie en Matthias Pauwels

In Antwerpen woedt al een paar jaar een felle strijd rond één van de grootste geplande architecturale bouwwerken in de recente Vlaamse geschiedenis: een kilometerslange dubbeldeksbrug opgehangen aan twee pylonen en zwevend over een deel van de stad. Deze brug – ook wel ‘Lange Wapper’ genoemd – werd ontworpen door Laurent Ney en ingebed in een landschap ontworpen door Paul Robbrecht.

De majestueuze brug moet het koninginnestuk worden van de zogenaamde Oosterweelverbinding die de Antwerpse ring zal sluiten om zo een einde te maken aan de steeds toenemende verkeersellende (Nederlanders niet onbekend). Vakjury en betrokken politici waren aanvankelijk lyrisch over het ontwerp van Ney. In één elegante geste zou de brug het verkeer stroomlijnen, kansen creëren voor de herontwikkeling van enkele verloederde havenbuurten en Antwerpen resoluut op de kaart van architectuursteden prikken. Kortom, de Lange Wapper zou voor Antwerpen doen wat de Erasmusbrug deed voor Rotterdam. Sinds de presentatie van het ontwerp aan het grote publiek in het najaar van 2006 is de Lange Wapper echter steeds meer veranderd van een architecturaal wonderproject tot een passioneel twistpunt.

De problemen begonnen toen een Antwerpse actiegroep, stRaten-generaal, argumenteerde dat de brug het stadscentrum te dicht naderde en kwalijke gevolgen zou hebben op vlak van stedelijke ontwikkeling en verkeersafwikkeling. Met tal van vrijwilligers werkten zij een alternatief tracé uit. Ondertussen overtuigde actiegroep Ademloos het publiek van de kwalijke gevolgen van fijn stof en dwong zij een referendum af (gepland voor najaar 2009). Beide actiegroepen mobiliseerden ook jan en alleman om niet minder dan 17.000 bezwaarschriften in te dienen naar aanleiding van het openbaar onderzoek binnen de aanvraag voor de stedenbouwkundige vergunning, dat op dit ogenblik nog loopt.

Klap op de vuurpijl kwam met de Burgemeester van Antwerpen, Patrick Janssens, die als eerste politicus van de regerende regionale coalitie gehoor gaf aan de grieven van de actiegroepen. Janssens uitte openlijk zijn twijfel over het voorliggende ontwerp en bestelde een alternatievenstudie bij het studiebureau Arup/Sum waarin ook het alternatieve voorstel van stRatengeneraal bestudeerd diende te worden. Hiermee werden de lokale actiegroepen voor het eerst officieel erkend als volwaardige gesprekspartner in het Oosterweeldossier. Het gevolg is dat niet alleen de actiegroepen en de sturende partijen van de publiekprivate samenwerking lijnrecht tegenover elkaar staan, maar er nu ook openlijke verdeeldheid heerst binnen de laatste groep zelf.

Over de totale patstelling rond de brug kun je rouwen of blij zijn, het leidde wel tot een uniek maatschappelijk debat – zowel in de media en de politiek als op straat – en een nooit geziene publieke mobilisatie rond een architecturaal object. Zonder twijfel een zeldzaamheid in Vlaanderen. Toch is het opvallend dat het ontwerp van de brug zelf nooit ter discussie is gesteld. De reden hiervoor is dat het belangrijkste argument van het aannemersconsortium THV Noriant voor het bouwen van de brug precies de hoge kwaliteit is van het ontwerp van toparchitecten Ney en Robbrecht. Dit engagement van de aannemer voor architecturale kwaliteit bleek echter vooral opportunistisch van aard (het binnenhalen van de opdracht) alsook strategisch (want wie is er tegen kwaliteit?).

Zo vonden er drastische aanpassingen aan het ontwerp plaats tussen de wedstrijdfase en de recent ingediende bouwaanvraag. De meest opvallende wijziging betreft de geometrie van de twee pyloonkoppen die niet langer bestaan uit open naaldvormen en daarom (door de samenvoeging van de krachten uit de verschillende tuien) een aanzienlijke verzwaring vereisen van de pylonen zelf. Hiermee zijn de pylonen in het uiteindelijke ontwerp slechts een schim van haar slanke, elegante voorgangers en wordt de architecturale uniekheid van de brug in één klap ongedaan gemaakt. Iedereen met ook maar een beetje inzicht in de bouwpraktijk zal inzien hoe deze ontwerpbeslissing eerder is ingegeven door het eenvoudiger en goedkopere productieproces van gesloten pyloonkoppen, dan door een streven naar architecturale uitmuntendheid. Dit laatste wordt bevestigd door tal van documenten en uitspraken waaruit blijkt dat zowel de opdrachtgever als architect volstrekt machteloos stonden tegenover deze aannemersinterventie.

Gezien vanuit Nederland zal deze scheve machtsverhouding tussen aannemer, opdrachtgever en architect vast opgevat worden als een jammerlijke doch min of meer normale gang van zaken – elk ontwerp passeert immers vroeg of laat de rekenmeester van de ontwikkelaar of aannemer. In België echter is het autonome opereren van de architect bij wet verzekerd, precies ter bescherming tegen grillen van de opdrachtgever en het garanderen van de architecturale kwaliteit tegenover het kruideniersinstinct van de aannemer. Dat binnen het ontwerp van het belangrijkste Vlaamse bouwwerk in decennia, de architect ongestraft buitenspel gezet wordt door de aannemer is dan ook in belangrijke mate te wijten aan de Vlaamse architectengemeenschap zelf, die tot op heden nagenoeg afwezig bleef in het debat.

Het stilzwijgen van de Vlaamse Bouwmeester over de sterk ingekrompen architecturale kwaliteit van de Lange Wapper is begrijpelijk vanuit zijn nauwe betrokkenheid bij het dossier – al zou je van een Bouwmeester een minder slaafs optreden verwachten. Maar het is vooral onbegrijpelijk dat beroepsorganisaties, die zich sinds jaar en dag opwerpen als de beschermheren van de unieke autonomie van de Vlaamse architectuur, compleet afwezig blijven in het debat. Zo valt de passieve rol van de Orde van Architecten op aangezien zij toch de officiële waakhond is van de bij wet geregelde autonomie van de architect moet bewaken en zelfs de macht heeft om disciplinair op te treden. Het Vlaams Architectuurinstituut blijkt dan weer geplaagd te worden door haar rechtstreeks politieke patronaat en de dwang om enkel goed nieuws te verkopen over het ontwerp van de Lange Wapper. Verder valt ook de oorverdovende stilte op binnen de architectuurfaculteiten. Terwijl de geleerde professoren en onderzoekers hun carrière en bekendheid verworven hebben in het uitvoerig theoretiseren van een autonome Vlaamse architectuurcultuur, lijkt niemand de noodzaak te voelen om de nobele principes in de praktijk te verdedigen met betrekking tot de Lange Wapper.

Het wrede lot van de architectuur in het hele project is niettemin poëtisch. De architecturale ambitie werd bijzonder hoog ingezet en binnen de offerteaanvraag ingeschreven als gunningcriterium. De offerteaanvraag werd bovendien opgevat als een soort architectuurwedstrijd met internationale jury onder leiding van de Vlaamse Bouwmeester (de zogenaamde ‘Kwaliteitskamer’). Het ontwerpvoorstel van Norman Foster (ingediend door aannemersgroep THV Antwerpse Bouwwerken) werd vroeg geweerd omdat het afweek van de voorschriften van de opdrachtgever (het ontwerp zag af van de dubbeldeksconstructie). Het verhaal wil dat het tweede voorstel van THV Loro geweigerd werd omdat de relatief onbekende architecten onvoldoende eigen stem in het ontwerp hadden. De argumentatie binnen de Kwaliteitskamer was dat zij ‘geen brug van een aannemer’ wou omdat de Antwerpse bevolking beter verdient. En laat dit nu precies zijn waarmee Antwerpen vandaag opgescheept zit: een brug van een andere aannemer voor wie noch de stem van de opdrachtgever, noch de stem van de eigen ontwerper en noch de stem van de lokale bevolking kan opwegen tegen de wet van het profijt en gemak.