Recensie —

In beton gegoten

Harry den Hartog

Nog niet zo heel lang geleden, in betere tijden, lieten veel architectenbureaus een boek over hun praktijk schrijven. Bouwondernemingen zochten daarentegen minder media aandacht of probeerden deze zelfs te ontlopen. Daar lijkt verandering in te komen met de pil In beton gegoten – Kroniek van een bouwonderneming, een op zwaar papier gedrukt boek, geschreven door Kees de Graaf in opdracht van ERA Bouw.

Het boek is opgebouwd als tijdlijn, waarlangs de ontwikkelingen die het bedrijf doormaakte worden afgewisseld met verschillende interviews en de visie van Hugo Priemus, hoogleraar Volkshuisvesting aan de TU Delft en nauw verbonden met het bedrijf. Kees de Graaf heeft de levensloop van het bedrijf onderverdeeld in vijf belangrijke periodes: de wederopbouw 1965-1972, einde van de groei 1973-1978, projectontwikkeling 1979-1987, binnenstedelijke vernieuwing 1988-1997 en consumentgerichte conceptontwikkeling 1998-2008. Deze periodes worden aan de hand van summiere teksten en een select aantal projecten geïllustreerd. In kaders langs de tijdlijn wordt het geheel verlevendigd met talrijke anekdotes en wereldnieuws, variërend van de eerste reclame met bloot op televisie (1967) en het verslaan van het Duitse voetbalteam in de halve finale van het WK in 1988 tot aan het op de markt brengen van de iPod door Apple (2001) en de landing op Mars (2008). Hierdoor krijgt het boek iets alledaags en begrijpbaars. Dit wordt versterkt door de bonte selectie aan foto’s, die soms regelrecht uit privé-fotoalbums lijken te komen. Deze rauwheid komt ook terug in de algehele vormgeving en past wellicht uitstekend bij de titel. Het geeft het boek iets huiselijks en maakt het tot een onverwacht prettig bladerboek, vol foto’s die bol staan van nostalgie en herkenning, want wie heeft er niet ooit in een rijtjeshuis of galerijflat gewoond?

De aanleiding voor deze publicatie is het 45-jarig bestaan van ERA, een onderneming die is ontstaan als onderdeel van bouwbedrijf J.P. van Eesteren (de broer van Cornelis van Eesteren, die overigens niet genoemd wordt in deze publicatie). Van Eesteren richtte ERA op om een antwoord te geven op de woningnood in de jaren zestig. De drie letters staan voor Van Eesteren Rationele Aanpak. Het bedrijf ontwikkelde een bouwsysteem waarmee sinds midden jaren ’60 door het hele land duizenden woningen zijn gebouwd: de zogenaamde ERA-flatwoningen. In tegenstelling tot andere industriële bouwers koos ERA niet voor prefab elementen (waarvoor zwaar transport nodig was) maar voor ‘een fabriek op het werk’. Met behulp van de zelfontwikkelde tunnelmal kon in hoog tempo een woongebouw uit de grond worden gestampt.
Groot voordeel van de tunnelmal is de vrije overspanning, waardoor veel indelingsvarianten mogelijk zijn. Het systeem betuigt hiermee steun aan het pleidooi dat John Habraken met zijn publicatie De drager en de mensen (1961) hield om drager en inbouw te scheiden en zo bewoners meer keuzevrijheid te bieden.

Het boek is gelardeerd met Hugo Priemus’ kritische visies op ontwikkelingen in de volkhuisvesting en het achterliggend beleid. Zo valt te lezen dat Priemus al in een vroeg stadium waarschuwde voor teveel optimalisatie in de bouw: “daarmee verstart het geheel en verdwijnt de aandacht voor flexibiliteit”.
Priemus initieerde verschillende bewonersonderzoeken en zorgde er ondermeer voor dat toekomstige bewoners van de ERA-flatwoningen inspraak kregen. Men kon kiezen uit maar liefst 40 indelingsvarianten. Om de gekozen variant te kunnen verwezenlijken moest overigens wel minimaal 5% van alle stemmers voor het betreffende type kiezen. De casco’s werden afgebouwd met prefab onderdelen, binnenwanden, keukenblokken, et cetera. Dankzij inspraak werd ook de open keuken een optie. Er kwam al snel vraag naar nog meer variatie, wat resulteerde in geknikte galerijflats en sterflats.

Door economisch zwaar weer in de jaren ’70 (oliecrisis en massawerkloosheid in bouwsector) en de omslag van hoogbouw naar laagbouw als gevolg van de veranderde maatschappelijke behoefte, ging ERA bijna ten onder. De eengezinswoning gold als nieuwe standaard. Een nieuwe bouwmethodiek was nodig om in te kunnen spelen op de nieuwe omstandigheden. Om uit de neerwaartse spiraal te ontsnappen ontwikkelde ERA ondermeer de ERA Goed & Betaalbaar woning en de ERA-Paspartoe woning: in seriebouw vervaardigde goedkope, maar degelijke rijtjeswoningen. Tegelijkertijd ontwikkelde het bedrijf zich tot een allround bouwonderneming met meerdere bouwsystemen. De oude tunnelmal werd inmiddels ook toegepast om op goedkope wijze kantoren te bouwen. De plaatsing van een 5,40 mal naast een 7,20 mal resulteerde in standaard kantoorindelingen met een middengang van 1,80 meter.

Ondertussen weekte ERA zich los van het moederbedrijf en veranderde haar naam achtereenvolgens in ERA Woningindustrie, ERA Woningbouw en ERA Bouw. Momenteel maakt ERA weliswaar onderdeel uit van een grotere holding (TBI bouw) maar heeft, aldus de auteur van het boek, haar eigen gezicht behouden. In de jaren ’90 zocht ERA naar meer eigenheid door zich pertinent niet te richten op de suburbane Vinex, maar een stevig marktaandeel te verwerven in de bestaande stad. De renovatie van naoorlogse wijken werd een steeds belangrijkere opgave, waaronder de vernieuwing van de eigen ERA-flats.

In beton gegoten is een lichtverteerbaar boek dat tussen de regels door een aantal interessante wetenswaardigheden weet te melden en een aardig beeld geeft van hoe de onderneming steeds weer wist te anticiperen op de veranderende maatschappelijke context. ERA transformeerde zich van een industrieel bouwbedrijf tot een bouwende projectontwikkelaar met stedelijke vernieuwing als specialisatie.
Het einde van de industriële massawoningbouw ligt inmiddels al weer enige tijd achter ons. De consument verlangt steeds meer zeggenschap. Ondertussen blijft de aanpak van de bestaande voorraad noodzakelijk. Om de huidige crisis te overleven zal opnieuw gezocht moeten worden naar evenwichtige pasklare oplossingen. Maatwerk is nodig, juist in de bestaande stad.