Opinie —

Verder kost het ons niets? Het onderzoekslab ontleed.

Tim de Boer

Aan het begin van de zomer aangekondigd in een preambule en nu eindelijk uitgewerkt en geopend voor deelname, het antwoord van de Rijksbouwmeester op de crisis: het Onderzoekslab voor (talentvolle) ontslagen ontwerpers. Het Lab biedt hen de mogelijkheid inhoudelijk betrokken te blijven bij het vak; ze doen onderzoekservaring op én werken aan opgaven die van belang zijn voor ons allemaal. Wat betekent het Onderzoekslab in een markt waar de zelfstandigheid van de architect als onafhankelijk ruimtelijk denker al langer onder druk staat?

Screenshot website Nederlandwordtanders.nl
Screenshot website Nederlandwordtanders.nl

Laten we met het goede nieuws beginnen, er zijn ook hardwerkende (jonge) architecten die ondanks de crisis zelf werk zoeken, onderzoek starten en zelfs nu hun eigen bureau oprichten, maar daar gaat dit artikel niet over. Want wat doet de Rijksbouwmeester om deze groep durfals te ondersteunen? Zij richt een vrijwilligersorganisatie op die gratis en voor bijna niets ruimtelijke adviezen geeft. In deze tijd is de architect de enige die – uit liefde voor het vak nemen we maar aan –  zichzelf aanbiedt om gratis te komen werken.  En dat terwijl het Rijk al 2.500.000.000 euro beschikbaar heeft gesteld om de bouwsector de crisis door te helpen en mogelijk wordt dit bedrag nog hoger. Hoeveel van dit geld vloeit er naar de ontwerper? Via het Onderzoekslab in ieder geval niets.

Uit de nu bekend gemaakte zeven onderzoekslabs (zie www.Nederlandwordtanders.nl) blijkt dat in het Lab zeer concrete opgaven worden uitgezocht die makkelijk door bureaus hadden kunnen worden uitgevoerd. Maar ja, dat is duur en die 2,5 miljard van het rijk kan de opdrachtgever wel beter besteden. Of zoals de wethouder financiën van Nagele –één van de onderzoekslocaties in het Lab- het formuleert: ‘Het gaat om een team van tien mensen die er fulltime aan werken. Wij moeten zorgen voor huisvesting, een ingericht kantoor en de eindpublicatie. Verder kost het ons niets.' . Hij vervolgt: ‘Een buitenkans, goed voor Nagele en een stuk voordeliger'.  

Het Lab ontslaat de opdrachtgever – maakt niet uit of het een gemeente, rijk, corporatie of particulier is – van de plicht om de ontwerper als serieuze partij te zien. Ze hoeven alleen maar te verwijzen naar het Lab om aan te tonen dat ruimtelijke adviezen niks hoeven te kosten. Maar talent en kennis behoor je te belonen. Als overheid dien je daar gewoon voor te betalen, ook in tijden van crisis. Het bieden van onderzoekservaring en vrijwilligerswerk voor twee dagen in de week gedurende drie maanden met behoud van uitkering is veel te mager.

De grote vraag is wat de Rijksbouwmeester op de langere termijn met het Onderzoekslab wil bereiken. Het Lab rekt vooral tijd. Fundamentele problemen in de architectenbranche, zoals rond de toepassing van de Europese aanbesteding, worden niet opgelost. De crisis toont aan dat de door de overheid en marktsector afgedwongen specialisatie – onder andere via de strenge referentie eisen in de aanbestedingen – de ontwerpsector zeer kwetsbaar heeft gemaakt. Daarnaast zijn omzeteisen vaak zo streng dat klein bureaus helemaal geen opdrachten meer kunnen krijgen. De zo geroemde jonge architecten krijgen dus niet eens de kans zich te bewijzen. En ook in het Onderzoekslab komen zij er bekaaid van af. Jonge ontwerpers worden in het Lab meegenomen in een veilige auto, maar hebben geen enkele invloed op de bestemming, de snelheid en de medepassagiers.

Andere opties om architecten te ondersteunen en de sector te versterken zijn er genoeg. Je kunt bijvoorbeeld volwassen opdrachtgeverschap stimuleren. Door als overheid een deel van de kosten van reguliere opdrachten te vergoeden kan het talent bij de bureaus blijven werken. Tegelijk devalueer je de waarde van het vak niet. In dit systeem kan je daarnaast allerlei regels en verdeelsleutels verzinnen om opdrachtgevers te stimuleren met kleine bureaus te werken.  Zo werk je meteen aan verjonging van de branche.

Tegelijk met het helpen van bestaande bureaus kan de overheid de eigen initiatieven van talentvolle ontwerpers ondersteunen. Sinds de jaren '80 is er immers een complete infrastructuur voor ontwerpers ingericht. Die functioneert nog steeds. Er zijn prijzen, subsidiemogelijkheden en stipendia. Verruim gedurende de crisis de mogelijkheden binnen dit systeem en geef de jongere generatie de kans om te bewijzen dat ze ook echt de toekomst hebben. Dat is eng, maar talent zoekt zijn eigen weg wel. Laat ontslagen ontwerpers dus zelf bepalen welke onderwerpen zij belangrijk vinden, wat ze willen onderzoeken, met wie ze dat doen en hoe ze dat willen doen. Bij de volgende crisis staan zij dan niet weer te wachten tot de Rijksbouwmeester in haar auto de kinderen komt ophalen. De ontwerpers rijden dan zelf wel.