Feature —

Lokale architectuurcentra: van dicht op de huid tot luis in de pels

JaapJan Berg

Lokale architectuurcentra zijn niet meer weg te denken uit het Nederlandse architectuurlandschap. Hoewel ze zich in veel verschijning- en organisatievormen manifesteren, delen de centra de ambitie om een rol van betekenis te spelen in het lokale en regionale debat over architectuur en ruimtelijke ordening. Hoe dat in zijn werk gaat was kort geleden goed te zien bij een discussie in Amersfoort.

Veel lokale architectuurcentra ambiëren de rol van luis-in-de-pels. Een geuzennaam die hun wens naar onafhankelijkheid van politieke besluitvorming inzake ruimtelijke kwaliteit onderstreept. Men wil een kritisch oog en oor zijn bij de lokale of regionale ruimtelijke ontwikkelingen. Toch slagen niet alle centra er in de gewekte verwachtingen in te lossen. Het ontbreekt hen nogal eens aan vermogen om werkelijk kritisch te (durven) zijn. Zij zijn vaak afhankelijk van het stadhuis voor inhoudelijke input, wat hun vrijheid kan belemmeren en hun standpunten kleuren. Zo ontstaat niet zelden een verschil tussen intentie en realiteit.

De architectuurcentra doen er echter goed aan om onverstoorbaar door te gaan met signaleren, presenteren en op de agenda zetten. Het creëren van een moment of podium is voor veel sluimerende kwesties vaak al voldoende. Ongeacht of dit vanuit een bescheiden of een kritisch oogpunt gebeurt, leidt een programmering in de vorm van een debat, discussie of tentoonstelling, immers al snel tot een verstoring van het – voor de buitenwereld – ogenschijnlijk rimpelloze oppervlak van processen. Veel vindt immers buiten het zicht van de publieke opinie plaats. Natuurlijk zijn overheden gedwongen plannen ter inzage te leggen, maar die geste appelleert doorgaans alleen aan de direct betrokkenen en/of de enkeling die behept is met een meer dan gemiddelde activistische inslag. Architectuurcentra kunnen zorgen voor het ter discussie stellen of zelfs tijdelijk verbreken van de beschermde status van plannen én zorgen voor de aandacht van een breder publiek. Bovendien gebeurt het allemaal in de directe omgeving van de plaatsen delict. Dat is een sterke, en niet te onderschatten kwaliteit, die onbedoeld onderstreept werd door de manifestatie ‘Maak ons land’ in het NAi. Deze langdurende en breed opgezette manifestatie over de ruimtelijke kwaliteit en inrichting van Nederland wilde veel, maar mistte de aansluiting met de realiteit op lagere schaalniveaus.

In Amersfoort vond recentelijk een goede proeve van het speelveld van een lokaal architectuurcentrum plaats. Daar organiseerde het Architectuurcafé Amersfoort een debat met de titel ‘Hoe heilig is het stadsgezicht?’. Het bleek een moedige poging om een discussie over de schoonheid en dynamiek van stadsgezichten in gang te zetten. Het onderwerp werd ingeleid door de Gentse stadsarchitect Jo Lefebure. Hij presenteerde, op prettig losse wijze, de tactieken die de stad Gent hanteert bij de omgang met monumenten, zonder te vervallen in valse, historiserende schijnarchitectuur. In Gent worden nieuwe, moderne toevoegingen binnen de context van een historisch stadscentrum getolereerd. Dit vanuit de overtuiging dat architectonische toevoegingen die voortkomen uit contemporaine smaak- en stijlopvattingen een eerlijker, organisch en dynamisch stadsbeeld garanderen.

Lefebure maakte duidelijk dat, mits zorgvuldig en met liefde uitgevoerd en goed in het bestaande stedelijk weefsel ingepast, moderne toevoegingen veruit te prefereren zijn boven historische neostijlen die een onaangetaste status van het stadscentrum suggereren (Façadisme). In de context van Amersfoort met zijn historische binnenstad bleek het een relevant thema. In de discussie onder leiding van architect Jan Poolen vielen vooral de inbreng van nieuwbakken stadsarchitect Noud de Vreeze en raadslid Simone Kennedy op. De politica, afwisselend op eigen titel en namens haar partij (Christenunie) sprekend, benadrukte – niet verwonderlijk – haar voorkeur voor een harmonisch en dus historisch stadsbeeld. Ze distantieerde zich daarmee van Lefebure’s stelling. Haar standpunt werd vooral gevoed door de vrees dat Amersfoort minder aantrekkelijk zou worden voor toeristen. In tweede instantie, na wat gemor uit de zaal, onderkende ze het potentieel van de discussie op electoraal niveau en volgde ze haar politieke instinct. Het bewaken van historisch erfgoed en het garanderen van de onaantastbaarheid van het centrum was vooral goed voor bevolking en leefkwaliteit. Architectonische experimenten mochten wat haar betreft worden verbannen naar perifeer gelegen wijken.

Noud de Vreeze, sinds vorig jaar als stadsarchitect belast met ‘het waarborgen en uitbouwen van het stedenbouwkundig niveau en de beeldkwaliteit in Amersfoort’, vertoonde in het debat eveneens grillige manoeuvres. Vanuit zijn ruime ervaring in het vakgebied constateerde De Vreeze allereerst – en terecht – de inconsequenties van Lefebure ten aanzien van de eenzijdig negatieve waardering en behandeling van bouwstijlen en typologieën uit de jaren ’60 en ’70. Opvallender was echter, ook gezien zijn ruime ervaring, dat de stadsarchitect zich aanvankelijk nadrukkelijk schaarde onder het onwetende deel van de bevolking. Met zijn constatering over de verschillen tussen de denk- en zienswijzen van professionals (m.n. architectuurhistorici) en ‘gewone mensen’, het bewieroken van bewonersinitiatieven en het prijzen van de vasthoudendheid van burgers, koos De Vreeze duidelijk en polemisch partij. Hij greep de discussie aan om de betrokkenheid van burgers bij ruimtelijke processen (inclusief het bewaken van het historisch stadsgezicht) te stimuleren. De relatief neutrale omgeving van het lokale architectuurcentrum bood hem de ruimte om zich, op bijna populistische wijze, af te zetten tegen vertragende ambtelijke molens en andere politiek gekleurde uitwassen. Waarvan de beruchtste in zijn optiek, ironisch genoeg, het zoeken naar draagvlak is, aangezien dat de natuurlijke vijand van ambitie is. Interessant is hierbij dat de stadsarchitect het architectuurcentrum als platform uitkoos om een vakinhoudelijke en ambtelijke discussie publiekelijk scherper te krijgen. De vraag rest of het architectuurcentrum daarmee getuige was van een tactische oprisping van deze mondige stadsarchitect of dat het wellicht verleid werd tot een structureel, strategisch bondgenootschap tussen twee wannabe-luizen.

De bestuurlijke en politieke realiteit wordt in toenemende mate bepaald door tactieken die zich richten op het winnen van stemmen buiten de geëigende paden en voorgeschreven momenten om. Kwesties gerelateerd aan de inrichting van de leefomgeving lenen zich daar bijzonder goed voor. Dit afdoen als populisme negeert de implicaties van deze ontwikkeling voor het functioneren van de architectuurcentra met hun lokale, laagdrempelige én culturele status.