Recensie —

Parallel Cases

Marten Dashorst

Parallel aan de hoofdtentoonstelling in het NAi vindt in het teken van de 4e IABR op de RDM Campus op Heijplaat (Rotterdam) de tentoonstelling Parallel Cases plaats. Een avontuurlijke locatie, een avontuurlijke tentoonstelling en een heel avontuur om er te geraken.

Om met het laatste maar gelijk te beginnen: het is niet gemakkelijk om op Heijplaat te komen. Bijna twee uur heeft ondergetekende over de Rotterdamse Willemskade ‘geflaneerd’, op zoek naar een zondagse bootverbinding die er maar niet wilde zijn, om mij te vervoeren naar een plek die er eigenlijk ook niet wilde zijn. Het is dan ook niet vreemd dat Heijplaat, in 1914 gesticht om arbeiders van de naastgelegen RDM-werf te kunnen huisvesten, in de jaren 30 van de vorige eeuw een tijd lang een quarantainezone is geweest voor zieke scheepslui; binnen Rotterdam is Heijplaat zowaar een Parallel Case op zich.
Ik was niet de enige die problemen had de locatie te bereiken; krap 50 mensen hadden die week de tentoonstelling kunnen vinden. Veel te weinig voor de overdaad aan projecten die je te wachten staat.

Begin 2009 plaatste de Rotterdamse Academie van Bouwkunst een oproep waarin architectuuropleidingen werd gevraagd onderzoeksprojecten op te sturen die op enige wijze verbonden waren met thema’s die de groei van steden en de sociale problemen die dat met zich meebrengt, adresseren.  Uiteindelijk werden 45 projecten geselecteerd en deze zijn te zien in Parallel Cases.
Gehuisvest in het ‘monumentale innovation dock’ straalt de tentoonstelling bij binnenkomst vooral bescheidenheid uit. Een witte, krap 2 meter hoge muur die zich over de breedte van de middenbeuk van de loods uitstrekt, is alles wat Parallel Cases op het eerste gezicht is. De wittigheid valt zo goed als in het niet, omringd door bruut overgedimensioneerde liggers, kanariegeel geschilderde brugkranen en ruw beton op de grond. Slechts een klein deurtje biedt een snelle blik op de visuele drukte binnenin.
Eenmaal binnen getreden in de expositieruimte valt de grootsheid van de loods al gauw weg. Iedere  inzendingen heeft een identiek hok van 2,40 bij 1,20 toegewezen gekregen. De hokken zijn rond een omgang geordend. In het midden bevindt zich een verhoog, als ware het een grote feesttafel, waarop alles is neergezet dat niet in de hokjes paste.

De tentoonstelling is opgezet rond thema’s die min of meer gelijk zijn aan de grotere thema’s in de Biennale: Squat, Refuge, Diaspora, Community, Collective en Open City. Het is de vraag of al deze thema’s specifiek genoeg zijn gedefinieerd. Er zijn verscheidene inzendingen die makkelijk bij meerdere thema’s geplaatst hadden kunnen worden. Overlap was er vooral bij Squat en Refuge en bij Community en Collective. Juist binnen het thema Diaspora – niet als zodanig aanwezig in het NAi – waren de inzendingen het meest verschillend.

De meeste projecten weerspiegelen een air van optimisme en een goed gevoel over de toekomst, zonder overdreven utopisch te worden. Een van de winnende projecten, ‘Shoafat Refuge Camp’ van de Bezalel Academy of Art and Design in Jeruzalem, doet dit door concreet te kijken naar de kansen en mogelijkheden van een vluchtelingenkamp in Oost-Jeruzalem. Door de aanwezigheid van het kamp als gegeven te accepteren en voort te bouwen op de aanwezige gemeenschap en aan te sluiten op de specifieke eigenschappen en gebruiken van de openbare ruimte, kan het kamp als nieuwe poort gaan functioneren naar het oostelijke, Arabische gedeelte van Jeruzalem. Voor een stad zonder overkoepelend ruimtelijk beleid kan het volgens de onderzoekers geen kwaad juist te kijken naar wat de positieve aspecten van zulke noodgedwongen ongeplande plekken zijn.

Een ander plan in het thema Refuge is de ‘Swimming Pool Shelters’ van de Technische Universitat Berlin. Met een pragmatisch en opportunistisch oog – en dus waarschijnlijk vrij eenvoudig economisch te verkopen – wordt gekeken naar het alternatieve gebruik van de openluchtzwembaden van Berlijn. Als het vriest, wordt er niet gezwommen en dus ook niet omgekleed. Maar de badhokjes staan er wel. Waarom, vragen de onderzoekers zich af, worden deze in de winter niet gebruikt als daklozenhuisvesting? De eenvoud van het voorstel doet bijkans plaatsvervangende schaamte optreden.

Binnen het thema Community valt vooral het project ‘the Arsenal of Exclusion’ op. Deze door het Maryland Institute College of Art in Baltimore samengestelde blik op de middelen die planners, beleidsmakers en ontwikkelaars  gebruiken om groepen mensen van elkaar te scheiden, in plaats van bij elkaar te brengen, was een van de weinige projecten die niet uit een soort verholen beroepsplicht neigde naar het vinden van oplossingen, maar zich puur bezig hield met het constateren en analyseren van problemen. Niets bleef gespaard voor de cynische blik van de onderzoekers: het samenscholingsverbod, de gated community, maar ook de concierge en het eenrichtingsverkeer zijn medeplichtigen in de strijd tegen de open city. Door deze bril bekeken mag het bijna een wonder genoemd worden dat er überhaupt over de open city wordt nagedacht.

Wat is de rode draad in de Parallel Cases? Identiteit. Na alles te hebben bekeken, dringt de gedachte zich op dat een open city zich vooral bewust moet zijn van zichzelf en de goede en minder goede kanten door de ruimtelijke, programmatische, sociale en economische eigenschappen te erkennen en deze basis te gebruiken om jezelf als stad een plek in de 21ste eeuw te geven – de eeuw van de stad.

-Afsluitend-
Ik sta buiten, na (noodgedwongen) twee zondagen achter elkaar op Heijplaat rondgelopen te hebben. Ik ben verzadigd, maar toch knaagt er iets – het McDonalds gevoel. De overdaad aan parallelle tentoonstellinkjes kunnen helaas alleen serieel aandacht krijgen, het overkoepelen van ideeën komt geheel en al voor rekening van de bezoeker. En dat is jammer.

Parallel Cases is een tentoonstelling die een beetje slachtoffer is geworden van zijn eigen enthousiasme. De voortvarendheid waarmee het concept van de tentoonstelling als marktplaats is aangepakt komt tot een sukkeldrafje op het moment dat je de separate hokjes binnen gaat. De ene keer draait het werk linksom, dan weer rechtsom, en soms draait het zelfs helemaal niet. Meer regie door de curatoren met betrekking tot deze kleine vrijstaatjes zou niet slecht geweest zijn; er zijn overigens prima leesbare informatiebordjes, alleen hangen deze nou niet bepaald op ooghoogte, veel lenigheid is vereist.

Het soort massa-verzamelingstentoonstelling als Parallel Cases is, is moeilijk kwalitatief te beoordelen. Er is zoveel te zien – en te horen – dat er onvermijdelijk wel iets interessants bij zit. Het kan de inzenders dan ook moeilijk verweten worden als men de tentoonstelling met een lichte maagpijn verlaat. De curatoren daarentegen hadden best wel meer van zich zelf mogen laten zien; een grote introducerende tekst, meer uitleg bij de verschillende thema’s, een analyse van de inzendingen. Én een sticker met grote krul bij de winnende projecten, want ik heb ze er ter plekke niet tussen uit kunnen halen.