Feature —

Archisoap Aanbestedingsleed, nieuwe serie: vier architecten vechten beoordeling Stadskantoor Rotterdam aan

Piet Vollaard

Door de warrige aanvangsprocedure verdiende de aanbesteding van het ontwerp voor een nieuw stadskantoor in Rotterdam al geen schoonheidsprijs. Je zou zeggen dat een gewaarschuwde commissie voor twee telt. Niet heus, want de vier niet-winnende architecten zetten verschillende vraagtekens bij de uitslag, en niet geheel ongegrond. (nu met naschrift nav NRC-artikel)

Links de gevel van OMA van augustus, rechts die van 24 september op skyscraper.com.

In een brief aan de uitschrijver Gemeentewerken Rotterdam en aan het college van B&W uiten de vier (Mecanoo, Claus en Kaan, Meijer en Van Schooten, SeARCH) op een drietal onderwerpen bezwaar tegen de uitkomst van de door OMA gewonnen aanbesteding.
In de Gunningleidraad wordt gesteld dat er vijf criteria worden gehanteerd (in volgorde van aflopend belang): excellente architectuur, stedenbouwkundige inpassing, omgang met het monument, duurzaamheid en haalbaarheid. De beoordelingscommissie had op basis van deze vijf criteria dienen te adviseren. Het criterium ‘haalbaarheid’ komt echter in het beoordelingsrapport niet voor. In elk geval is er geen toetsingsresultaat in de volgorde van afnemend belang met daarbij ook het criterium van haalbaarheid gepubliceerd. Dat de vier niet-winnaars vermoeden dat het plan van OMA budgettair niet haalbaar is, valt zonder openbaar gemaakte begroting moeilijk te bewijzen. Wel lijkt het duidelijk dat het voorstel van OMA niet het goedkoopste is.
Het lijkt er dus op dat de jury een van de vijf criteria, ook al was dat het minst belangrijke, niet heeft meegenomen in de overweging. Het weglaten van een belangrijk onderdeel van de beoordelingsprocedure is natuurlijk niet toegestaan, maar bovendien lijkt de beoordelingscommissie het idee van het beoordelen van de plannen per criterium en in afnemend belang helemaal niet te hebben toegepast. In elk geval blijkt hierover niets in het eindrapport. En ook deze wijziging van de beoordelingsprocedure is niet toegestaan. Het zou kunnen dat de beoordeling wel degelijk op deze manier is gegaan, maar dan is het wel erg slordig om dat in de rapportage niet te melden. De gebruikelijke wegingsmatrix ontbreekt, laat staan dat deze ingevuld is.

Een tweede bezwaar betreft het vermoeden dat OMA tussentijds de gelegenheid is geboden het plan aan te passen, of althans extra tekeningen of technische gegevens aan te leveren. Bij de publiekspresentatie van de ontwerpen publiceerde OMA nog een vaag, wolkachtig gevelplan. Maar op 24 september, een dag na de presentatie van de plannen voor de jury en een maand voor de presentatie van het eindoordeel, wordt op de website skyscrapercity.com een afbeelding van een veel verder uitgewerkte gevel gepubliceerd. De vier bureaus geven in hun brief te kennen er van uit te gaan dat dit beeld door OMA op deze website geplaatst is. Dat lijkt echter onwaarschijnlijk, zo gek zijn ze bij OMA nu ook weer niet. Bovendien is de nickname van de poster van de rendering ‘omapr’ wel heel erg voor de hand liggend. Het lijkt eerder op een lek bij het personeel van OMA, het gemeentehuis of de commissie. De uitgewerkte gevel was trouwens ook te zien in het boekje dat bij de bekendmaking van de winnaar werd weggeven. Het is denkbaar dat er een onschuldige verklaring voor dit onverwacht opdoemen van een veel verder uitgewerkte gevel is, maar OMA en de beoordelingscommissie hebben de schijn wel heel erg tegen. In elk geval stellen de vier terecht de vraag of hier niet sprake is van een onrechtmatig tussentijds wijzigen van de ingediende stukken na de deadline van 15 augustus.

Tenslotte stellen de vier ook vragen bij de publieksraadpleging via internet en bij het merkwaardige gedraai over de relatie tot de uiteindelijke winnaar (die bepaald geen publiekslieveling bleek). Terechte vragen, want ook deze waarschijnlijk politiek gemotiveerde pr-actie, die feitelijk een zoethoudertje bleek, verdiende geen schoonheidsprijs. Maar het is onwaarschijnlijk dat hier onreglementair gehandeld is. Het lijkt eerder een kwestie van (een combinatie van) extreem onhandig handelen, slechte voorlichting en politieke gladstrijkerij. Allemaal erg slordig, maar daarom nog niet aanbestedingsrechtelijk laakbaar.
Dat zou echter wel het geval kunnen zijn als de andere bezwaren – het ‘vergeten’ van een beoordelingscriterium, het niet ‘in volgorde van belang’ noteren en vergelijken van de overige criteria en helemaal het halverwege het proces invoegen van nieuwe informatie na de inleverdatum door OMA – terecht blijken te zijn.

Inmiddels is de brief in de gemeenteraad besproken en heeft de wethouder toegezegd de beoordelingscommissie te vragen het rapport ‘aan te scherpen’. Het is de vraag of de problemen met een beetje aanscherpen opgelost zullen zijn. Voorlopig is dit het zoveelste voorbeeld van slordig omgaan met een aanbestedingsprocedure. Pijnlijk voor de deelnemers om te moeten constateren dat alle tijd en energie die in het maken van een inzending is gaan zitten, beantwoord wordt met een slordige, onvolledige en zelfs onjuiste beoordeling. Je zou denken dat de beoordelingscommissie en haar adviseurs wel wat geleerd hebben van het debacle met de aanbesteding van de stadbibliotheek in Utrecht. Daar stuurde de rechter de jury terug naar de onderhandelingstafel. Maar nee, de aanbesteding die al begon met onduidelijke deelnamecriteria, die na protest moesten worden aangepast, sukkelt in de beoordeling vrolijk verder. Extra aandacht mag in dit geval worden gegeven aan de adviseur van de gemeente Twijnstra Gudde. Juist een adviesbureau met ervaring in het begeleiden van aanbestedingen zou de beoordeling uiterst nauwkeurig en precies hebben moeten afwikkelen. Twijnstra Gudde kapittelt in een recent stuk in Cobouw nota bene de uitschrijver van een openbare aanbesteding voor het nieuwe danstheater in Den Haag vanwege onzorgvuldige criteria.
Wordt helaas ook deze keer ongetwijfeld – al of niet juridisch – vervolgd.

+++++

Naschrift 16 november: In het NRC van zaterdag 14 november besteedt Bernard Hulsman aandacht aan de kwestie. Daarbij somt hij uitvoerig de banden op die twee juryleden (Ole Bouman en Mike Guyer) hebben met OMA. Zonder het met zoveel woorden te zeggen, suggereert hij dat de jury niet integer gehandeld heeft. Aangezien in dat artikel ook gerefereerd wordt aan een eerder artikel op ArchiNed van mijn hand, hecht ik er aan hierbij te melden dat ik absoluut niet twijfel aan de integriteit van de jury. Ik hekelde daarentegen de slordigheid in de procedurele afwikkeling van de jury, adviseurs en politiek, en de op z’n zachtst gezegd onhandige manier waarop met de burgerraadpleging is omgegaan. Hierdoor is er ruimte gemaakt voor verdachtmaking en stemmingmakerij en blijft er aan de uiteindelijke winnaar – welke dat ook is, wat er verder ook gebeurt – een ‘luchtje’ hangen. En dat is wel het laatste waar Rotterdam op zit te wachten.

Als gemeente en jury hun huiswerk hadden gedaan en de Europese Aanbesteding ‘kwesties’ in Utrecht, Delft en meer hadden bestudeerd, dan was duidelijk geweest dat het eindverslag uiterst precies, de Gunningleidraad nauwkeurig volgend, tot op twee cijfers achter de komma berekend, drie keer gecontroleerd en met distantie gepresenteerd had moeten worden. Dat dit niet gebeurd is, dat valt gemeente, adviseurs en jury te verwijten. Niet dat er banden zijn met deelnemers. Die waren vantevoren bekend, en daar is – terecht – door de overige deelnemers ook niet tegen geprotesteerd.

Piet Vollaard