Feature —

Een liefdesverklaring aan de stad zoals die is

Lotte Haagsma

Veel stadswijken hebben vroeg of laat te maken met een langdurige periode van verval, sloop en nieuwbouw. In deze ‘tussentijd’ ontstaat ruimte voor alternatief gebruik en nieuwe initiatieven. Veel daarvan verdwijnt echter weer bij oplevering van de wijk. Een half afgebouwd huizenblok in de Haagse wijk Transvaal vormde op donderdag 15 oktober het decor van de studiedag ‘Stedelijke transformatie in de tussentijd’. Er werd gereflecteerd over de kwaliteit van de tussentijd en op welke manier deze kan worden meegenomen in de toekomst.

De studiedag vormde de presentatie en afsluiting van het Laboratorium voor de Tussentijd, een serie workshops en studies waarin architecten, ontwerpers en kunstenaars in een periode van twee jaar de herstructurering van Transvaal onder de loep namen. Zij onderzochten welke mogelijkheden voor gebruik de 'tussentijd' met zijn leegstaande panden en braakliggende terreinen biedt, en of de transformatie misschien anders kan worden ingericht. Het laboratorium kwam voort uit Hotel Transvaal, een kunstproject dat van zomer 2007 tot najaar 2008 in de wijk Transvaal draaide. Dit hotel nestelde zich in tijdelijk leegstaande woningen verspreid door de wijk en serveerde ontbijt bij een plaatselijke ondernemer. De door verval en leegstand vaak als negatief ervaren transformatieperiode werd door het hotel ingezet voor gastvrij onthaal.

De deelnemers aan het laboratorium lieten zich inspireren door de charme van lege, oningevulde plekken, informeel gebruik en de levendigheid van kleinschalige ondernemingen. Ze bedachten concepten waarmee de vrijgekomen ruimte op een positieve manier de gesignaleerde ondernemingslust kan herbergen en stimuleren. Van een autosleutelplek tot een grondwet voor de tussentijd. Daarnaast zetten de laboranten vraagtekens bij de manier waarop de transformatie nu wordt aangepakt. Zou het niet beter zijn om deze niet langer als een project met een begin- en een einddatum te benaderen, maar als een doorlopend proces – de stad is immers continu aan veranderingen onderhevig.

Zo ontwikkelden Bernadette Janssen (stedenbouwkundige BVR), Corine Keus (E19 architecten) en Henk Jan Bouwmeester (filosoof/kunstenaar/ontwerper) een alternatief model waarin de transformatie van Transvaal Noord, een deel van de wijk dat nog niet is aangepakt, over een langere periode wordt uitgespreid. Zij adviseren niet te wachten tot het verval overal om zich heen grijpt, maar nú te investeren in wat goed is. Richt de aandacht niet op problemen, maar versterk juist bestaande kwaliteiten in de woningvoorraad en de openbare ruimte, luidt hun boodschap. Als de basiswaarde van een wijk op peil blijft en er hier en daar pareltjes ontstaan, verbetert de waarde van het vastgoed en van de stedelijke structuur als geheel. Daarmee ontwikkelt een buurt zich heel geleidelijk verder, mét kleine dipjes, maar zónder grote breuken.

Uit de resultaten van het Laboratorium voor de Tussentijd rijst het ideaal op van een gezond en dynamisch stedelijk ecosysteem, dat zich geleidelijk aanpast in de tijd. Om dit te bereiken ligt de nadruk in veel projecten op het versterken van relaties en uitwisseling tussen bewoners, woningvoorraad, bedrijvigheid en openbare ruimte. Maar hoe verander je een wijk (waar een groot deel van de woningen in handen is van woningcorporatie Staedion) van een centraal geleide structuur in een zelforganiserend systeem? Voor de mannen en vrouwen aan het stuur is het alsof ze hun passagiers van een stevige oceaanstomer moeten laten overstappen op wiebelige roeibootjes.

Zover is het dan ook nog lang niet. Tijdens het ochtendprogramma spreekt filosoof René Boomkens over het geheugen van de stad, een geheugen dat fysiek bestaat uit gebouwen, straten, parken en pleinen, maar ook in belangrijke mate gevormd wordt door de alledaagse leefwereld van bewoners en gebruikers. Wanneer op grote schaal wordt gesloopt en bewoners massaal naar elders vertrekken, wordt dit geheugen grotendeels geëlimineerd. In Transvaal is goed zichtbaar hoe dat werkt. Lopend van de tram naar de locatie van de studiedag valt op met welk een 'harde hand' de herstructurering er tot nog toe is aangepakt. Hele straten zijn verdwenen om plaats te maken voor frisse nieuwbouw die in niets meer herinnert aan wat ooit was. Dit is geen subtiele facelift, maar een complete makeover.

Maar Boomkens wijst ook nog op een ander probleem. Volgens hem verhoudt het Laboratorium van de Tussentijd zich tot de dominante stadsontwikkeling zoals de Slow Food beweging zich verhoudt tot MacDonalds. De fastfoodgigant staat in deze vergelijking voor 'overal dezelfde smaak, dezelfde glimlach en dezelfde omzet', terwijl Slow Food staat voor 'inefficiënt, traag, per seizoen anders, lokaal gebonden, kleinschalig en desondanks uiterst rendabel, want nogal duur'. Het gevaar van deze vergelijking voor de stadsontwikkeling is volgens Boomkens exclusiviteit en elitarisme. Want in probleemwijken als Transvaal wonen voornamelijk allochtonen en autochtonen met weinig opleiding en een laag inkomen – typische Macdonalds-klanten, aldus Boomkens. Hij vraagt zich dan ook af of initiatieven als het Laboratorium voor de Tussentijd – veelal bevolkt door leden van de creatieve klasse, die weinig delen met de bewoners van de wijken waarin zij opereren – die kloof kunnen dichten.

Zo laveren de liefhebbers van de tussentijd zich tussen twee kloven; die met bestuurders en die met bewoners. Het is de paradox van ontwerpers en kunstenaars die zich het lot van de probleem/prachtwijken aantrekken, ze pleiten voor bottom up en dicht op de huid, maar zijn tegelijkertijd relatieve buitenstaanders die hun ideeën projecteren op een situatie waar zij niet of nauwelijks deel van uitmaken. Die afstand is echter ook hun kracht. Zij kunnen de vinger leggen op zere plekken, zonder meteen ter verantwoording te worden geroepen. Ze kunnen verborgen kwaliteiten zichtbaar maken, verbeelden en de wereld in sturen. Dat is dan ook wat Boomkens hen adviseert: leg een archief aan van bijzondere en alledaagse stedelijke fenomenen – van de geschiedenis van een buurtsuper tot interventies in de tussentijd – en zet dat archief voor iedereen bereikbaar op het internet. Een liefdesverklaring aan de stad zoals die is, en een onuitputtelijke bron om op voort te borduren – hoewel dat laatste in de praktijk niet altijd meevalt.