Recensie —

Jane Jacobs / Dood en leven van grote Amerikaanse steden, anno 2009

Lara Schrijver

Achtenveertig jaar nadat Jane Jacobs Death and Life of Great American Cities publiceerde, is er voor het eerst een Nederlandse vertaling uitgekomen. Wat is de relevantie van deze publicatie voor de hedendaagse Nederlandse situatie? Een recensie van Lara Schrijver.

Het werk van Jane Jacobs staat de laatste tijd weer in de belangstelling. Zo organiseerde Trancity op 30 oktober een studiedag over Jane Jacobs, en publiceerde daarbij De levende stad – over de hedendaagse betekenis van Jane Jacobs. Op het architectuurfilmfestival in Rotterdam werd niet alleen de film Urban Goddess: Jane Jacobs Reconsidered vertoond, maar ook meteen een fietstocht georganiseerd: de ‘Jane Jacobs Tour in Rotterdam’. Op Radio 6 werd Zef Hemel geïnterviewd over Jacobs in VPRO’s De Avonden. Op diezelfde zaterdag hield Rudy Stroink een pleidooi voor kleinschaligheid als tegenwicht voor het ‘naoorlogs optimisme’ in het NRC Handelsblad, dat verdacht veel doet denken aan de stellingen van Jacobs in 1961. Al met al geeft dit voldoende reden om eens terug te gaan naar de bron van dit alles: haar boek Death and Life of Great American Cities, nu in het Nederlands vertaald en uitgegeven door SUN/Trancity als Dood en leven van grote Amerikaanse steden.

De vraag is wel: waarom nu, bijna 50 jaar na dato, zoveel aandacht voor haar boek dat in 1961 voor het eerst verscheen? Wat heeft het te bieden in de hedendaagse context? Het impliceert dat een aantal vragen die zij destijds stelde over de stad als leefomgeving en de rol van stedenbouw daarin, nog altijd actueel zijn. In Rotterdam, waar ‘kluswoningen’ ingezet worden als een subtielere vorm van stedelijke vernieuwing, waar Spangen door middel van individuele en collectieve inzet is opgewaardeerd, lijkt het boek van Jacobs de huidige aanpak te ondersteunen. Met de vertaling is in ieder geval haar gedachtegoed wat toegankelijker gemaakt voor iedereen die daar interesse in heeft, van studenten tot beleidsmakers, van ‘woningklussers’ tot architecten en stedenbouwkundigen.

Centraal in haar boek staat een andere manier van kijken naar de stad, niet zozeer vanuit de modellen van de stedenbouw, maar juist vanuit de alledaagse observatie. Bij Jacobs leidde dat tot de constatering dat steden uiterst complexe ‘ecosystemen’ waren. Hiermee bedoelde zij dat de stad uit een gevoelig evenwicht bestond van verschillende elementen die elkaar op diverse wijzen beïnvloedden. Dit stond haaks op de dan geldende inzichten in de stedenbouw, die zich met name richtten op de grote schoonmaak met de rationele stadsplanning van het naoorlogs modernisme. In de woorden van Jacobs was haar boek niet alleen een ‘aanval op de gangbare stadsplanning en stadsvernieuwing’, maar ook een oefening in het kijken naar ‘de werkelijkheid, niet geput uit hoe die zou moeten zijn, maar uit hoe die is’. Zo probeerde Jacobs op haar eigen manier de schijnwerper te zetten op het sociale weefsel in de stad: in plaats van de stadsvernieuwing te benaderen als een oefening in ‘oude rotzooi’ opruimen, ging zij kijken naar de alledaagse activiteiten in de stad en hoe zij plaatsvonden in de stedelijke ruimte.
Met haar beschouwing van steden als ecosystemen, of een ‘oefening in geordende complexiteit’, stelt Jacobs allerminst dat wij niet kunnen ingrijpen. Sterker nog, zij suggereert dat we door goed te analyseren, en de complexe verhouding tussen de verschillende condities in de stad goed te doorgronden, wel degelijk op een betere manier kunnen leren ingrijpen in een bestaande stad. Misschien kunnen wij dan zelfs steden leren maken die beter inspelen op ontwikkelingen.

Toch valt er ook wat af te dingen op het werk van Jacobs. Al in 1962 kreeg zij scherpe kritiek te verduren van Herbert Gans in zijn essay Urban Vitality and the Fallacy of Physical Determinism. Het nawoord van Gert-Jan Hospers en Simon Franke toont niet alleen hun bewondering voor Jacobs, maar bespreekt ook uitgebreid deze kritiek.
Zo stelt Gans bijvoorbeeld dat Jacobs’ pleidooi voor ‘vitaliteit’, gebaseerd op de notie van diversiteit, mank gaat op een klein maar belangrijk detail. Haar voorbeeldwijken zijn misschien wel levendig door de opeenstapeling van functies, maar het zijn geen ‘diverse’ wijken. De mensen die er wonen delen min of meer een sociaal-culturele achtergrond. De hedendaagse stedelijke gemeenschap is losser en vloeiender van aard, heterogeen en met minder gedeelde leefgewoontes. In deze context wordt het huidige begrip ‘diversiteit’ eerder een risicofactor: de sociaal-culturele verschillen in een wijk kunnen de gemeenschapszin zodanig aantasten dat de levendigheid ten onder gaat.
Het grootste probleem vormde echter haar geloof in de verstrekkende invloed van architectuur en stedenbouw. Hospers en Franke zijn het duidelijk eens met deze meest fundamentele kritiek van Gans: “En het ruimtelijk determinisme van Jacobs – dat ze overigens deelde met de planners die ze aanviel – gaat ook te ver: alsof de fysieke kant van de stad allesbepalend zou zijn voor de wijze waarop mensen hun leven inrichten.” Zij weet wel met een scherpe blik het geheel van de stedelijke ruimte en de sociale interactie daarin te zien, zoals blijkt uit haar uiteenrafelen van de ruimte van de stoep en de (in)formele regels van sociale omgang. Echter, wanneer zij problemen constateert met de grootschaligheid van de modernistische stadsvernieuwing, stelt zij daartegenover een kleinschalige stadsvernieuwing. De emancipatiegedachte is zo diep doorgedrongen in het denken over architectuur en stad, dat de neiging blijft bestaan, ook bij Jacobs, om ruimtelijke middelen te zoeken als oplossing voor sociale kwalen.

Daarom maakt juist het nawoord de vertaling waardevol voor de huidige Nederlandse context. De genuanceerde reflectie op het spanningsveld tussen sociale en ruimtelijke condities in de stad maakt het boek meer dan een terugkijken naar de geschiedenis. Dood en leven van grote Amerikaanse steden staat voor een tijdperk, en een (welverdiende) kritiek op de modernistische stadsvernieuwing. Het is geen slecht idee om Jacobs weer eens ter hand te nemen, maar dan wel met het nawoord erbij. Dat geeft aanleiding tot het kijken naar wat er al is en werkt, maar relativeert ook de emancipatoire invloed van de architectuur en stedenbouw. Misschien kunnen we dan eens wat scherper en preciezer over al deze zaken praten.
De voornaamste eis die Jacobs stelt aan haar lezer: ga kijken, en kijk vooral goed naar het bestaande, probeer dat te doorgronden, is misschien nog wel de belangrijkste boodschap. Aan beleidsmakers de taak om goed te kijken wat de kwaliteiten van deze wijken zijn, en aan architecten om er wat mee te doen.