Feature —

Learning from Vancouver, yes we can!

Marieke Hillen

In de tijdspanne van één week zijn in Rotterdam twee publieke gesprekken gevoerd over de vraag hoe Rotterdam de middenklasse voor de stad kan behouden. De legitimiteit van de vraag werd bij het eerste debat vooral bevestigd door de grote belangstelling. Tijdens het tweede gesprek bood een buitenstaander met kennis van zaken een verfrissend beeld op de mogelijkheden voor Rotterdam.

foto 7scout7
foto 7scout7

In het polemisch geschreven artikel Rotterdam grossiert in goedkoop ondergoed, terwijl de stad schreeuwt om elite en cultuur (NRC Handelsblad 19-9-09) stelt Marcel Möring dat Rotterdam, wil ze een aantrekkelijke metropool kunnen worden, de culturele infrastructuur moet versterken en uitbreiden. Möring extrapoleert zijn eigen zoektocht naar een comfortabel huis voor hemzelf en zijn gezin naar de gehele middenklasse/elite. Hij verzucht dat het Rotterdams bestuur verzuimt te investeren in de culturele infrastructuur en kiest voor het grote spektakel. Het culturele klimaat in de stad is verschraald en daarmee wordt het onaantrekkelijk voor de hoge inkomens om in Rotterdam te blijven wonen. Het stuk miste zijn uitwerking niet. Door de enorme belangstelling – vanuit de middenklasse en de culturele elite? – werd het door de Rotterdamse Raad voor Kunst & Cultuur en NRC Handelsblad georganiseerde debat Het Rotterdams gemeentebestuur en de middenklasse: Vechten of Vinex? verplaatst van de Unie naar Zaal 1 van Lantaren/Venster. En zelfs in deze zaal konden lang niet alle belangstellenden naar binnen, daarom was het gesprek ook in de foyer op beeldschermen te volgen.

Als eerste spreekt Bas Heijne – moderator voor deze avond – met René Cuperus, (wetenschappelijk medewerker van de Wiarda Beckmanstichting) over de sociaal maatschappelijke en culturele achtergronden waartegen het debat zich afspeelt. In zijn boek De Wereldburger bestaat niet schetst Cuperus het fenomeen van de opstand van het volk tegen de elites. Deze is wat hem betreft het gevolg van de kritiekloze omarming van de neoliberale globalisering door de elite, terwijl diezelfde globalisering door het volk juist als een bedreiging wordt ervaren. Cuperus bestempelt dit als de Rotterdamparadox: terwijl het de meest internationale stad van Nederland is, is juist hier als eerste en hardste geroepen dat een hek moet komen om de komst van immigranten, laagopgeleiden en niet-kapitaalkrachtigen naar de stad te stoppen. De snelle opkomst van Leefbaar Rotterdam is het gevolg van het feit dat de crisis in de stad op enig moment zeer groot was en de elite dit niet wilde onderkennen.  Het was een ‘rooksignaal van kortsluiting tussen politiek systeem en burgers, tussen elites en achterban’. De bestaande middenklasse vertrok naar de Vinex en liet een stad achter die niet langer functioneerde als een machine voor emancipatie van de achtergebleven bevolking, aldus Cuperus.

Adriaan Geuze (landschapsarchitect West 8) verklaart de trek naar de Vinex vanuit de fysieke staat van de stad. Na de Tweede Wereldoorlog is men de kunst van het maken van de stad verleerd, meent Geuze. Wijken zijn niet meer met elkaar verbonden en zelfs het maken van een goede straat lijkt te hoog gegrepen. Het heeft in 50 jaar een onherbergzame stad opgeleverd. Geuze vat het samen als: Rotterdam haat vrouwen, Rotterdam haat kinderen en Rotterdam haat ouderen …daarom is het zo verdomd moeilijk om hier als gezin met kinderen te blijven wonen, Zolang je er alleen voor staat in deze stad is het een heerlijke stad, maar zodra je in gezinsformatie gaat optreden dan wordt het Vechten of de Vinex.

Volgens Marco Pastors (Leefbaar Rotterdam) zijn drie basale voorzieningen nodig om de stad weer aantrekkelijk te maken voor de middenklasse gezinnen: huisvesting – liefst grondgebonden woningen met een voor- en een achtertuintje, goede scholen en buurtvoorzieningen die op peil zijn. West 8 heeft een aantal jaar geleden de ruimte in Rotterdam onderzocht en zij kwamen tot de conclusie dat met gemak 35.000 stedelijke woningen met voor- en achtertuintje binnen de Ruit kunnen worden gerealiseerd. Deze herstructureringsopgave wordt volgens Pastors tegengewerkt door een bestuurlijke en ambtelijke elite. Dit lokt de reactie uit dat Leefbaar Rotterdam herstructurering inzet als politiek instrument om de bevolkingssamenstelling van de stad te sturen. Marcel Möring vraagt zich af waarom Leefbaar wel bereid is om de herstructurering als politiek instrument in te zetten, maar de culturele infrastructuur van de stad niet beschouwd als van invloed zijnde op de vestiging of vertrek van de middenklasse. Pastors stelt dat het einde van de verzorgingsstaat nadert, het zou de culturele elite sieren als ook zij zich hier toe weet te verhouden. Zij moet zich bezig houden met wat leeft in de stad en daarmee haar bestaansrecht legitimeren in plaats van zich druk te maken over afnemende subsidiegelden, aldus Pastors.

Aan het einde van de avond is er geen doorwrocht antwoord gevonden op de vraag op welke manier Rotterdam weer aantrekkelijk kan worden voor de middenklasse. Een mogelijk antwoord wordt een week later gegeven door Larry Beasely in een overvol NAi auditorium. Beasley was gedurende dertig jaar hoofd Urban Planning in Vancouver en op uitnodiging van de Van der Leeuwkring als visiting critic in Rotterdam. Zijn belangrijkste achievement in Vancouver is dat hij een breed gedragen plan heeft ontwikkeld om de uittocht van inwoners een halt toe te roepen en deze om te buigen tot een terugkeer van bewoners van de innercity.

Het plan voor Vancouver zo benadrukt Beasley is niet op de tekentafels van de dienst stedenbouw ontstaan, maar in gesprek met meer dan 50.000 inwoners van de stad. Door het enorme draagvlak voor de ommekeer was Beasely in staat om voorbij de waan van de politieke dag door te werken aan de stad. Een dergelijk open gesprek is wat hem betreft ook in Rotterdam onontbeerlijk en moet als richtinggevend worden gezien voor het opstellen van een ontwikkelingsagenda. Zijn motto is groot te denken als het op planning aankomt, maar juist vanuit de kleine schaal te denken als het om ontwerpen gaat. De gemeentelijke diensten in Rotterdam doen er goed aan de inwoners als uitgangspunt voor hun ontwerp te nemen. Beschouw ze als consumenten van de stad en het stedelijk leven, is zijn devies. In de samenwerking met projectontwikkelaars is in Vancouver gezocht naar win/winsituaties en wordt er gedacht vanuit incentives en niet vanuit regulering. Dit kan alleen door te werken vanuit een basis van vertrouwen.

In zijn lezing doet Beasely de discussie die een week eerder de gemoederen zo bezighield over de culturele infrastructuur in een bijzin af: natuurlijk heeft een stad van het formaat van Rotterdam een goed theater en andere culturele huizen nodig, maar mensen komen als het aanbod goed is ook wel vanuit de suburbs of in ons geval vanuit de Vinex naar de stad toe. Om zijn verhaal te vervolgen over het hoe en waarom mensen/families volgens hem wel in de stad blijven of er weer komen wonen. Mensen hebben in principe een hekel aan dichtheid, vaak om dat deze zo slecht is vormgegeven. Om de concurrentieslag met de Vinex te winnen, moet de stad en het leven in de stad dus buitengewoon aantrekkelijk en comfortabel zijn. Dit kan alleen door de inwoner in de plannen voor de stad centraal te stellen.

In Vancouver wordt sterk gedacht vanuit de wijken. Om een goed voorzieningpeil, parken en scholen te kunnen waarborgen zijn wijken van ± 10.000 mensen nodig. Er wordt sterk gelet op de sociaal-economische mix in de wijk. Rotterdam heeft al een goede samenstelling van wijken met een heel eigen karakter. De transformatie van deze wijken moet een topprioriteit zijn; het karakter van de wijken dient in stand te worden gehouden en tegelijkertijd moeten er meer woningen worden toegevoegd. Volgens Beasely kunnen met gemak 50.000 nieuwe woningen binnen de stadsgrenzen kunnen worden gerealiseerd, dit vormt een solide basis om de infrastructuur van voorzieningen te verbeteren.
Verder moet volgens hem een belangrijke nadruk liggen op gezinnen, simpelweg omdat er nu eenmaal niet genoeg hippe vrijgezellen en zogenoemde empty nesters zijn om de stad te vullen. Daarbij komt dat plekken die voor kinderen zijn ontworpen over het algemeen door iedereen als comfortabel en leefbaar worden ervaren. In Vancouver werd bijvoorbeeld een child’s advocate aangesteld, die alle plannen vanuit het perspectief van het kind beoordeelde. En hoewel de auto in Vancouver niet uit het straatbeeld is verbannen, is bij het denken over de straat en haar doorsnede altijd gedacht vanuit de voetganger.
Beasely eindigt zijn lezing met een typisch Noord-Amerikaanse peptalk: built the city to a higher standard. Niets is goed genoeg voor Rotterdam!