Opinie —

Onrust in BK City

Piet Vollaard

Op de faculteit Bouwkunde van de TU Delft heerst onder studenten en staf groeiende onrust over de voorgenomen herstructurering en de daarmee gepaard gaande bezuinigingen. Dat deze onvrede vooralsnog alleen ‘in de wandelgangen’ en in het openbaar alleen door anonieme actiegroepen wordt geuit, duidt op een sfeer van wantrouwen. Daar is de open discussie over de vraag waar het heen moet met de faculteit natuurlijk absoluut niet mee gebaat. Wat is er aan de hand? En wordt de vraag waar het heen moet eigenlijk wel gesteld?

een van de vele 'protestposters'
een van de vele ‘protestposters’

Angst en wantrouwen
Op 15 oktober, de dag voor de door minister Plasterk bijgewoonde feestelijke inwijding van de Oost Serre en de inaugurale rede van Winy Maas, zijn er door studenten van de Bouwkunde Actiegroep protestposters in het gebouw opgehangen (zie voor alle relevante documenten, petities, manifesten en weblogs de links onderaan dit artikel). Deze werden echter onmiddellijk verwijderd door de bewakingsdienst. Dat zelfs uiterst bescheiden A4-postertjes op keurige prikborden worden verwijderd is een voor Bouwkunde abnormale beperking van de mogelijkheden voor vrije meningsuiting – waar zijn de spandoeken over de volle breedte van de ‘oude voorhal’  gebleven? Het is ook tekenend voor de sfeer van wederzijds wantrouwen tussen het management en de studenten (de actiegroep hekelt vooral ‘bad management’). Dat deze actiegroep, evenals de parallelle actiegroep BkSinks, vooralsnog anoniem opereert, kan daarnaast worden gezien als een teken van de angst die er kennelijk heerst. Vooral buitenlandse studenten lijken – laten we aannemen ongegrond – bang te zijn om te worden verwijderd vanwege protestacties. Ook de staf, zowel onderwijzend als niet-onderwijzend, is kennelijk uit angst voor represaille, alleen bereid om anoniem en ‘in de wandelgangen’ een reeks klachten te uiten. Alleen daarom al zou het management van de faculteit zich – of dat wantrouwen nu terecht is of niet – ernstig zorgen moeten maken over de wijze waarop met staf en studenten wordt gecommuniceerd.

Soms zijn de wandelgangklachten dubieus of is er sprake van het gebruikelijke Bouwkunde-gemor over ‘de bureaucratie’. Zo wordt er met argwaan tegen de komende uren- en aanwezigheidsregistratie van het personeel aangekeken. Het is wellicht een inperking van de persoonlijke vrijheid van het onderwijzend personeel om zonder excuus afwezig te zijn, maar voor het onderwijs dat toch al kampt met een tekort aan contacturen, geen slechte zaak. Veel gehoord is ook de klacht ‘dat al het geld naar The Why Factory van Winy Maas (of het Vitra meubilair, of de dure flatscreens) gaat, terwijl er overal moet worden bezuinigd”. Het inaugurale feestje was inderdaad ravissant, en het budget van T?F lijkt ook genereus, maar het zou misschien productiever zijn om zelf ook zo’n budget te scoren. En dat er sinds enige tijd extern ingehuurde en geüniformeerde bewaking rondloopt – “altijd met z’n tweeën en met zo’n sinistere zaklamp aan de koppelriem’ – geeft misschien aan dat het management niet erg gevoelig is voor de anti-autoritaire psyche van de gemiddelde bouwko, maar het zou in een open en probleemloze sfeer waarschijnlijk geen enkel punt zijn.
De werkelijke problematiek, en de steekhoudend kritiek van de actiegroepen, richt zich echter vooral op de voorgenomen ‘strategische bijsturing’ van de faculteit en de daarmee gepaard gaande bezuinigingen, zonder dat deze wordt onderbouwd met een duidelijk visie waar het heen zou moeten gaan met de architectuur en het onderwijs.

Noodzakelijke bezuinigingen in een managementcultuur
De vraag om koerscorrectie en bezuiniging is afkomstig van het College van Bestuur van de TU. Onder leiding van waarnemend decaan Peter Boelhouwer is de toekomstrategie, inclusief de daarbij noodzakelijke aanpassingen en bezuinigingen voor Bouwkunde opgesteld. Deze plannen zijn inmiddels goedgekeurd door het CvB, en ook door de na langdurige ziekte teruggekeerde decaan Wytze Patijn.  De resultaten zijn in samenvatting gepubliceerd in het ‘eindrapport" Mastering Bouwkunde. Dit najaar  worden de resultaten besproken met verschillende onderwijscommissies en  andere vertegenwoordigende organen. De operatie kent drie deelprojecten: gericht op de ‘herijking’ van het onderwijs (Betaalbaar Onderwijs), het onderzoek (Architecture in Context) en van de organisatie.
Er moet bezuinigd worden, daarover is waarschijnlijk geen discussie meer mogelijk. Meer aandacht (en dus budget?) gaat naar de output (het rapport spreekt zelfs van een ‘drastische verhoging van het aantal artikelen gepubliceerd in international scientific journals’), bezuinigingen naar de input (van onderwijs richting studenten). En dat alles onder de dreiging van een alsmaar toenemend aantal studenten en afnemende uren voor het onderwijzend personeel. Het verhogen van de productie (onderzoek en afgestudeerden) in combinatie met het verlagen van de kosten tot een minimaal door de consument (in dit geval zowel de nog niet afgestudeerde studenten als de maatschappij) geaccepteerde kwaliteit en arbeid. Elke koekjesfabrikant zal het begrijpen en beamen: zo hou je je bedrijf gezond, de winst op koers en de aandeelhouders tevreden. Dat het denken in fabricageterminologie kennelijk tot de bedrijfscultuur (althans bij het managementteam) is gaan horen, blijkt uit het volgende citaat  uit het Eindrapport (dit citaat is geen uitzondering, voor de liefhebber is er veel meer) :
 “Grotere gestrengheid is noodzakelijk. Bouwkundeonderwijs is door het grote aantal studenten een proces van massaproductie geworden. Door alle uitzonderingen, de coulance in de toepassing van de regelingen en door het vele maatwerk lijkt het alsof de faculteit individueel onderwijs verzorgt. Het is goed door regelgeving en handhaving van de regelingen meer op te schuiven in de richting van ‘seriefabricage’”. (p 13)
Seriefabricage  is (nog) geen massaproductie, moderne fabricage gaat zelfs uit van ‘’precies op tijd’ en ‘op maat’ levering. Maar met dit soort termen win je the hearts and minds van de Bouwkundepopulatie natuurlijk niet.

Onderwijs of onderzoek?
Het Eindrapport is in flinke, prima leesbare taal gesteld en lijkt heldere keuzes te maken. Maar het blijft de vraag of het de juiste keuzes zijn, en vooral op basis van welke toekomstvisie deze keuzes dan gemaakt zijn. Dat extra aandacht wordt gegeven aan onderzoek (of eigenlijk aan onderzoeksoutput) is nog te billijken. Maar is het onderzoek dat wordt verricht en vooral de publicaties die daarvan het gevolg zijn, wel de moeite waard? Profiteert  het onderwijs er zelf van (anders dan door extra inkomsten)? Heeft de vakgemeenschap en/of de maatschappij buiten de faculteit er eigenlijk wat aan? Het ergste valt wat dat betreft te vrezen. Een verhoogde output heeft immers niet automatisch iets  met academische kwaliteit of maatschappelijke nut of noodzaak te maken. Het is duidelijk dat de faculteit steeds meer opschuift naar een Amerikaans model, net als andere Nederlandse universiteiten trouwens. Zo wordt de DSD (Delft School of Design) uitgebouwd tot een echte ‘graduate school’ en wordt het PhD-programma aangescherpt. Niets op tegen, zolang er maar een visie wordt geformuleerd wat en waarom er postdoctoraal onderzocht wordt. Eerlijkheidshalve moet worden opgemerkt dat de vraag naar verwetenschappelijking mede werd gesteld door een recente visitatiecommissie. Maar dan nog blijft het de (oude) vraag of het architectuuronderwijs wel zo nadrukkelijk richting wetenschap moet opschuiven als de meeste studenten (schatting zo’n 90%) primair naar Bouwkunde komen om een vak (ontwerpen) te leren. Zou daarom de focus niet primair op het (ontwerp)onderwijs moeten liggen? Tenminste zou je er toch van uit mogen gaan dat het reguliere onderwijs niet de dupe mag zijn van de wetenschapsambities.

Maar dat lijkt wel degelijk het geval. Het rapport Betaalbaar Onderwijs (waarom eigenlijk niet een rapport Betaalbaar Onderzoek, of Betaalbaar Management?) sprokkelt met een groot aantal kleinere bezuinigingen de noodzakelijke 3 a 4 miljoen vooral in het reguliere atelieronderwijs bij elkaar. Een rechtgeaarde docent die plezier heeft in het persoonlijk omgaan met studenten, die passie heeft voor het vak en die dat het liefst zo direct mogelijk op zijn studenten wil overdragen, zal bepaald niet vrolijk worden van deze voorstellen. De begeleiding wordt ‘geëxtensiveerd’ (van 20 dagdelen naar 18). De ontwerpgroepen worden groter, met meer inzet van gastdocenten (omdat ze  40% goedkoper zouden zijn). Een deel van de professionele docenten wordt vervangen door studentdocenten die het van ‘van gezel tot meester’ hebben gevolgd. Verder worden onder meer de keuzevakken geschrapt – ‘er is al keuze genoeg’ – en wordt de basiskennis voortaan  ‘grootschalig aangeboden’, minder vakken in grotere groepen dus.
Voor een deel wordt de bezuiniging ook gehaald uit minder discutabele zaken zoals het invoeren van een BSA (bindend studieadvies), doelmatiger planning, het certificeren en coachen van docenten en het opheffen van stuwmeren en struikelvakken door de knelpunten te analyseren en docenten desnoods te dwingen hun vak binnen 2 jaar ‘op niveau’ te brengen. Maar dat levert lang zoveel niet op als de maatregelen die direct op het atelieronderwijs ingrijpen. De vrees voor en klachten over de hoge werkdruk die nu al gehoord worden (er wordt van uitbuiting en een gevoel van onmacht gesproken), zullen hierdoor waarschijnlijk alleen maar toenemen.

Max Laadvermogen
Intussen heeft de faculteit ook nog te maken met een enorme toeloop van nieuwe studenten. In het voorjaar van 2009 telde de faculteit 2420 studenten. Het model Max Laadvermogen (waarom niet Optimaal Laadvermogen?) rekent uit dat de studentenpopulatie bij een instroom van 600 tot 750 studenten, wat niet onrealistisch is gezien de toeloop van de laatste jaren, in 2013 is toegenomen tot 3600 a 4000 studenten. Om dat op te vangen moet de 1,5 student die nu gebruik maakt van een atelierplek in die periode groeien naar 1,8 student per werkplek. Hiervoor wordt overigens gebruik gemaakt van dependances, het huidige gebouw is kleiner dan het oude gebouw en dat was al te klein voor het veel geringere aantal studenten toen. Verdere toestroom kan niet meer worden opgevangen. Bij meer dan 750 nieuwe studenten per jaar worden extra ‘stuurmogelijkheden’ noodzakelijk, zoals het beperken van de instroom van HBO-ers (van 200 naar 100) en internationale studenten (van 200 naar 100) en het aanscherpen van de norm voor het Bindend Studie Advies.
Je vraagt je af waarom toch zo wordt vastgehouden aan die enorme instroom. Moet de faculteit niet juist mean and lean worden? Een kleine(re) faculteit met topdocenten, gemotiveerde studenten en een beperkte output van baanbrekend onderzoek, is dat niet een veel betere optie? Maar het managementteam spreekt zich uitdrukkelijk uit tegen een numerus fixus. “De faculteit verwacht van het optimaal benutten van de selectiemogelijkheden een grotere impact op de beheersing van de studentenstromen. Daarnaast acht de faculteit de Numerus Fixus uit maatschappelijk oogpunt een ongewenst signaal.” Een ongewenst signaal? Wat voor signaal dan? Is men misschien bang dat er dan opeens niemand meer Bouwkunde wil studeren? Is het maatschappelijk gezien wel zo noodzakelijk of wenselijk dat er steeds meer architecten op de arbeidsmarkt komen?  En is het sociaal gezien wel zo netjes om studenten massaal met open armen binnen te halen om ze vervolgens door middel van een streng selectieregime na een jaar weer de straat op te sturen? En waarom moet de instroom van HBO-ers en buitenlandse studenten in het masteronderwijs worden beperkt, als de deur voor bachelors wijd open blijft staan?

Op naar zaal A
Er staan in de rapporten natuurlijk genoeg zinvolle dingen, maar evenveel discutabele. Juist de openheid die in het gebouw aan de Julianalaan zo geroemd wordt en die in de prijsvraagontwerpen voor nieuwbouw zo nadrukkelijk op de voorgrond trad, lijkt te ontbreken in de besluitvormingsprocedure voor de reorganisatie. Een groot deel van de onvrede onder studenten en het personeel kan waarschijnlijk worden weggenomen door de voorstellen en de fundamentele keuzes die er aan ten grondslag liggen meer in het openbaar en meer democratisch met de faculteitsbevolking te bespreken. Minstens zo belangrijk is het dat de voorgenomen maatregelen worden onderbouwd met een heldere visie op de toekomst van het vak en het onderwijs. Alleen dan zal Bouwkunde zich misschien schikken in de voorgenomen reorganisatie. Zonder breed gedragen steun is de hele operatie gedoemd te mislukken.

Waarom geen ouderwets chaotische Poolse landdag in Zaal A organiseren waarin de voorstellen alsnog voor kritische bespreking aan de studenten en het personeel worden voorgelegd? De huidige sfeer van wantrouwen, angst en onbegrip leidt in elk geval niet tot de beoogde kwaliteitsverbetering, maar eerder tot vertrek van de betere docenten en studenten. Het is tegenwoordig immers gemakkelijk genoeg om in het buitenland te studeren of doceren. Het zou van groot vertrouwen in de eigen beslissingen van het managementteam getuigen als de open confrontatie met faculteit wordt aangegaan.
Misschien kan dan ook voor die ene keer het jaren 60 ‘One Man, One Vote’ principe in zijn oorspronkelijke betekenis worden toegepast.