Feature —

Op stap met Jane

Rixt Hoekstra

“En dan zien we hier een zogenaamd badkonijn.” Aan het woord is dichter en beeldend kunstenaar Paul Kuijpers, die wijst op een speeltje met overgedimensioneerde oren dat ronddobbert in de rivier de Rotte te Rotterdam. Op zaterdag 31 oktober werden in het kader van het architectuurfilmfestival twee film vertoond – Urban Goddess: Jane Jacobs Reconsidered en New York, the city and the World – daarna werd er gewandeld door Rotterdam Noord.

Het badkonijn is een overblijfsel van het jaarlijkse kunstfestival Op de Rotte. Vanwege zijn onvermoede activistische kwaliteiten mocht het konijn na afloop van het festival blijven. Het konijn zou de bewoners van dit deel van Rotterdam wijzen op de beeldende kwaliteiten van de rivier; het water is niet alleen een dode scheidslijn tussen Rotterdam-Noord en Crooswijk-Kralingen, maar ook een creatieve plek waar de bewoners onvermoede mogelijkheden in zichzelf en anderen kunnen ontdekken, aldus Paul Kuijpers

De bevlogen uitleg van Kuijpers was onderdeel van het Jane Jacobs zaterdagmiddagprogramma dat het AFFR organiseerde. Op het programma stonden twee films over deze self-made planologe en critica, maar het aardige was dat de realiteit van het doek werd gecombineerd met de ‘echte’ realiteit van de stad: er werd een stadswandeling in de geest van Jane georganiseerd, waarbij allerlei plekken in de deelgemeente Noord soms letterlijk door haar bril werden bekeken.

En dus trokken we op een zaterdagnamiddag door de straten van Rotterdam Noord waar we, in het kader van ‘new ideas for old buildings’ – Jacobs’ pleidooi voor de continuïteit van bebouwing – een kijkje namen in een kluswoning. Op het zorgvuldig opgeknapte Brancoplein vertelde ruimtelijk adviseur Piet Breebaart ons dat de gevels van woningen ook onderdeel uitmaken van een plein, zij markeren immers de overgang tussen privé en publiek en zijn daarmee essentieel voor het goed functioneren van de openbare ruimte. Op het Pijnackerplein werden wij eraan herinnerd dat een stad ook voor kinderen bedoeld is, in het midden staat een grote speelkooi en een glazen paviljoentje waar kinderen tot voor kort speelgoed konden lenen. De moeizame realiteit van een multiculturele samenleving werd duidelijk in het sociaal kunstzinnig centrum Kinderparadijs, waar leidster Marieke van Dok ons rondleidde door een speeltuin, die speciaal is opgezet om kinderen in achterstandssituaties een mooie speelplek te geven.

Het Jacobs programma van het AFFR is onderdeel van een recente golf van aandacht voor Jane Jacobs in Nederland. Zo werd The Death and Life of Great American Cities (1961) onlangs voor het eerst in het Nederlands vertaald. De publicatie werd vergezeld door een essaybundel waarin tal van auteurs betekenis van Jacobs standpunten voor de Nederlandse stad van de eenentwintigste eeuw duiden. Er vonden lezingen en een congres plaats. Gezien al deze aandacht is men blijkbaar van mening dat het werk van Jacobs nog steeds actueel is. Op de achterflap van de essaybundel De Levende Stad staat: ‘haar vier principes van diversiteit […] zijn na vijftig jaar onveranderd actueel in de hedendaagse ontwikkeling.’ Maar vijftig jaar is een lange tijd, op die bewuste zaterdagmiddag in Rotterdam rees bij mij de vraag of het kritiekloze navolgen van het gedachtengoed van deze ‘diva of diversity’ nu wel zo terecht is.  

De nu vier jaar geleden in Toronto overleden planologe, critica en econome Jane Jacobs (1916-2006) is één van de weinige vrouwelijke heldinnen van de na-oorlogse architectuurgeschiedenis. Ze woonde begin jaren zestig met haar gezin in Greenwich Village en was freelance journaliste toen zij besloot ten strijde te trekken tegen de praktijken van de modernistische stedenbouw. Een modernistische stedenbouw gepersonifieerd door de macho planoloog met de profetische naam Robert Moses. Moses vond dat de oude wijken van New York gesloopt moesten worden en dat grootschalige express ways een centrale plek in de stad moesten krijgen. De Bronx was al gesloopt en Greenwich Village stond als volgende op de lijst, toen Jane Jacobs ten tonele trad. Jacobs keerde de modernistische planningsprincipes als het ware om: niet de top-down benadering van Moses, maar juist een bottom-up benadering die het concrete wonen in een stadswijk centraal stelt. Jacobs richtte zich op het dagelijkse leven in een wijk. Zij stelde zich de vraag: als ik ’s ochtends mijn vuilnisbak buiten zet, wat zie ik dan? Een ander belangrijk principe was de slogan ‘we need eyes and ears on the street’: de opvatting dat bewoners en gebruikers een belangrijke rol konden spelen in het veilig en leefbaar houden van een wijk. Daarom ook vond Jacobs het mengen van wonen, werken, recreëren in een wijk zo belangrijk, omdat er dan op elk moment van de dag mensen op straat aanwezig zijn.

Terug naar Rotterdam. Jacobs’ gedachtegoed werd op die bewuste zaterdagmiddag ook letterlijk uitgedragen, omdat we met spandoeken met leuzen uit haar boeken liepen. Dat leverde overigens veel reacties van bewoners op: “Zijn jullie tegen?” Tegelijkertijd liepen we bepaald niet door een knusse binnenstadswijk: sociale huurwoningen met lakens voor de ramen, belwinkels en halal slagers. Waar zijn de ‘ogen en oren van de straat’ in dit soort transnationale gemeenschappen – hoe kan die functie vervuld worden door mensen die nauwelijks of geen Nederlands spreken? Een manier om de armoede te bestrijden is om meer diversiteit in de wijk te introduceren door yuppies naar de wijk te lokken. Ook in Noord gebeurt dit: in de praktijk levert dit een directe confrontatie op tussen de eerste wereld en de derde wereld, tussen armoede en rijkdom, maar of het ook bijdraagt aan een verbetering van de kwaliteit van leven in een wijk? Tijdens de wandeling kreeg ik toch de indruk dat de yuppies afzonderlijke eilandjes in de wijk vormen, misschien komt dat ook omdat er simpelweg te weinig zijn om een Jane Jacobs-achtige bijdrage te leveren.

Het aardige van de middag was dat de erfenis van Jacobs heel duidelijk geagendeerd werd: door een film waarin die erfenis centraal staat en door een confrontatie met de stad van nu. Het leverde bij mij het beeld op van iemand wiens werk niet gebruikt kan worden als een ‘receptenboek voor stedelijke problemen’, maar wel als een uitstekende wijze van observeren, als een nieuwsgierige en open analyse van wat er zich in een stad afspeelt.