Feature —

CO2 en C2C op de Nationale Houtdag

Jacques Vink

Duurzaam bouwen vormde het centrale thema van de Nationale Houtdag 2009 op 1 december jongstleden in het Muziekgebouw aan ’t IJ te Amsterdam. De afkortingen CO2 en C2C vielen dan ook veelvuldig. Maar tegelijkertijd werd duidelijk dat de Nederlandse bouwpraktijk achter dreigt te raken door een gebrek aan kansen voor de kleinere en meer innovatieve bureaus.

project in Berlijn van Kaden Klingbeil Architektur
project in Berlijn van Kaden Klingbeil Architektur

Dat de vermindering van onze CO2 uitstoot besproken werd lag voor de hand. Vanuit het perspectief van duurzaam bouwen is de buffering van CO2 het belangrijkste voordeel van het grootschalig gebruik van hout. Zolang hout niet rot of verbrandt is het gestolde CO2 – hoe meer hout, dood of levend, des te minder CO2. Mits we direct weer aanplanten, is het dus zaak zoveel mogelijk bomen te kappen om als hout in gebouwen te verwerken. Enigszins cru was het daarom te horen dat houtleveranciers hun massaal ingekochte FSC hout op dit moment niet verkocht krijgen. Omdat, zoals de branche aangeeft, de markt de extra kosten die verbonden zijn aan het FSC niet wil betalen. Maar daar wordt aan gewerkt. De nationale overheid en Rijkswaterstaat zullen vanaf 2010 uitsluitend FSC hout afnemen zo verklaarde Jacqueline Cramer. Bovendien beloofde de houtbranche de minister vanaf 2015 het overgrote deel van het hout uit duurzame bossen te betrekken.

Dat C2C (cradle to cradle) veelvuldig werd besproken is ook niet verwonderlijk. Op alle Nederlandse discussies over het milieu kan deze trendy term niet ontbreken. Naast een optimistisch en tegelijkertijd holistisch manifest heeft het als enige concrete resultaat een keurmerk voor bouwmaterialen opgeleverd. Het C2C keurmerk wordt voor veel geld toegekend aan producten die ontworpen zijn om te kunnen worden gerecycled en waarvan de leveranciers een inname beleid voeren. Dat het een open source zou zijn, zoals Annemarie Rakhorst van Search ingenieursbureau beweerde, is dus niet waar. Een keurmerk heeft nu eenmaal een keurende instantie (in dit geval organisaties die gelinkt zijn aan Michael Braungart) en kan dus niet open source zijn. Een klein bedrijf met een beperkt budget kan niet gecertificeerd worden en de term C2C is beschermd. Bart Mispelblom Beyer verwees in zijn presentatie van een woongebouw in Almere naar de Almere Principles en dat zijn gebouw daaraan voldoet en dat het daarmee dus het eerste C2C gebouw in Almere zal zijn. Wat deze uitspraak in de praktijk betekent blijft onduidelijk.

Subtitel van de bijeenkomst was 'Kwaliteit van bouwen in de EU'. Er waren dan ook sprekers uit Nederland en de ons omringende landen. Duidelijk werd dat echt innovatief bouwen in hout vooralsnog gebeurt in het buitenland. Zo presenteerde Malte Reimer van Kaden Klingbeil Architektur uit Berlijn een indrukwekkend zeven verdiepingen hoog woongebouw in het centrum van Berlijn. Kaden Klingbeil heeft veel ervaring met bouwen in hout. Hun oeuvre bestond uit grondgebonden woningen tot ze gevraagd werden of het ook mogelijk was om een woongebouw van zeven verdiepingen in hout uit te voeren. Het gebouw staat er inmiddels en was voor korte duur het hoogste woongebouw van hout in Europa. Inmiddels staat het record op een gebouw in Londen. Zweden heeft ook een rijke houtbouwtraditie. Toonaangevend architect Gert Wingårdh liet zien dat bouwen met hout tot nieuwe vormen en constructies kan leiden. Weinig bekend in Nederland heeft dit bureau met meer dan honderd medewerkers inmiddels een indrukwekkend oeuvre opgebouwd.

Echte innovaties in de bouw vinden plaats in een beperkt aantal zeer grote en pretentieuze projecten door architecten van naam zoals Wingårdh of door kleine organisaties in kleine projecten. Stuhlmacher Korteknie is zo´n klein pionierend bureau. Bekend en op het punt van doorbreken sprak Mechteld Stuhlmacher haar frustratie uit over het feit dat kleine innovatieve bureaus in Nederland steeds minder kansen krijgen. Slechts een beperkt aantal grotere bureaus komt in aanmerking voor de echt interessante opdrachten. Deze bureaus hebben over het algemeen echter geen tijd voor innovaties. De overhead is hoog en de commerciële belangen zijn groot. Als bureau kan je meedingen naar een opdracht voor het ontwerpen van bijvoorbeeld een basisschool, mits je reeds enkele scholen ontworpen hebt en daarbij een bepaalde omzet per jaar hebt weten te realiseren. Als startend bureau met een beperkt oeuvre (en omzet) kan je zo nooit laten zien wat je kan. Gelukkig vond Stuhlmacher Korteknie redding in België. Daar ontwerpt het bureau op dit moment twee basisscholen met de door de architecten in Nederland geïntroduceerde massiefhoutbouwconstructies.

Faro Architecten loopt ook aan tegen de bewijsplicht. Als er geen reguliere projecten zijn om nieuwe innovaties uit te proberen, dan maar zelf opdrachtgever worden. Pieter Weijnen laat in zijn eigen woning zien wat er anno 2009 allemaal mogelijk is. Veel van de ontworpen producten en materialen (zoals stucwerk met wax) in de woning zijn een primeur voor Nederland. Tegelijkertijd wil hij laten zien dat de negatieve pers die het passiefhuis in Nederland kreeg onterecht is, het kan wel degelijk een goed resultaat opleveren. Mits goed en zorgvuldig gedetailleerd is er niets aan de hand met de binnenlucht en kunnen de ramen gewoon open.

Ik kan de oproep van Stuhlmacher alleen maar herhalen. Minister Cramer gooi de markt open en geef de grote groep innovatieve ontwerpers en ondernemers de kans te laten zien wat ze kunnen. En Michael Braungart, maak van C2C een echte open source door de certificering in elk geval betaalbaar te maken. Het aanvankelijke enthousiasme dreigt anders weg te ebben, doordat alleen grote kapitaalkrachtige partijen het keurmerk kunnen voeren. Er zijn genoeg ontwerpers en kleine ondernemers die staan te popelen een bijdrage te leveren aan producten die in de kringloop blijven. Hout leent zich er goed voor mits het uiteindelijk als biologisch afval niet zal wegrotten en in speciale ovens schoon verbrand kan worden.