Feature —

College van Rijksadviseurs bekijkt het hoge noorden

Kees de Graaf

Het College van Rijksadviseurs bracht onlangs een bezoek aan de regio Groningen-Assen. Tijdens het jaarlijkse Boumagesprek van Platform Gras bracht het college verslag uit van haar rondgang. De Rijksadviseurs bleken enthousiast over de landschappelijke kwaliteit van het gebied, maar waren kritisch over verdergaande uitbreidingsnieuwbouw die datzelfde landschap onnodig aantast. Helemaal omdat krimp deze regio al behoorlijk in de greep heeft.

Lauwersmeer (© natuurgek.nl)

Rijksbouwmeester Liesbeth van der Pol en haar Rijksadviseurs Yttje Feddes (landschap), Ton Venhoeven (infrastructuur) en Wim Eggenkamp (cultureel erfgoed) werden op de lijn van Assen-Zuid tot Lauwersoog bijgepraat over de ontwikkelingen in Noord-Nederland. Een gebied met veel landschappelijke kwaliteiten en de nodige contrasten. Met de aanleg van nieuwe natuur kunnen die contrasten verder worden aangescherpt, zo betoogde Van der Pol. Dat de Waddenzee in de vorige eeuw achter een hoge dijk is opgesloten, was wat haar betreft een gemiste kans: ‘Er was hier sprake van een echt deltalandschap van kreken en wierden. Die grote landschappelijke karakteristiek is door vorige generaties niet aangewend. Ik zie kansen om water en landschap hier op een nieuwe manier met elkaar te verbinden.’

Noord-Nederland is tegelijkertijd een gebied waar de bevolkingskrimp onmiskenbaar toeslaat. Dat deze voor individuen vervelende gevolgen kan hebben, was iets dat Ton Venhoeven nadrukkelijk overhield aan dit bezoek. ‘De ontspanning op de woningmarkt kan er bijvoorbeeld toe leiden dat mensen met een laag inkomen uit het westen hier naar toe komen, omdat de woningen zo goedkoop zijn. Vervolgens komen ze niet meer weg, omdat hun woningen nog meer in waarde dalen.’ Een tricky ontwikkeling, aldus Venhoeven. ‘Economische programma’s zijn nodig om dit aan te pakken.’

Ontspannen bouwen
Net zo zorgwekkend, maar dan op het schaalniveau van het landschap, is de trend dat veel gemeenten nog steeds onverdroten doorgaan met uitbreidingsplannen, de krimp ten spijt. Yttje Feddes pleitte voor een andere aanpak: ‘Gezien de ontwikkeling van de bevolking vraag ik me af waarom dat nodig is. Waarom niet veel meer ontspannen en kleinschalig bouwen in bestaande dorps- en landschapsstructuren, zoals de linten?’ Venhoeven deelde haar zorg: ‘Aan de zuidkant van Assen wordt bijvoorbeeld een groot zoekgebied uitgezet voor een nieuw bedrijventerrein. Ik zie de noodzaak daar niet van in en zou eerder inzetten op het versterken van de binnenstedelijke werkgelegenheid. Juist in een krimpgebied moet je oppassen met nieuwe suburbane ontwikkelingen.’ Ook Liesbeth van der Pol vreest een teloorgang van het karakteristieke noordelijke landschap: ‘Ik ben bang dat we de smakelijke verschillen tussen stad en ommeland en tussen de landschappen onderling toch weer in een format duwen van stiekeme verstedelijking en stiekeme uitbreidingen. Een meer pure vorm van concentratie heeft mijn voorkeur.’

Graswijk aan de zuidkant van Assen, waar plannen liggen voor een nieuw bedrijventerrein
Graswijk aan de zuidkant van Assen, waar plannen liggen voor een nieuw bedrijventerrein

Geen goede mensen
De Rijksadviseurs benadrukten in dit verband het belang van goed publiek opdrachtgeverschap. Bij de gemeente Groningen is die onverminderd aanwezig, zo gaf Wim Eggenkamp aan: ‘Bij de discussie rond de Suikerfabriek was het eerste dat ik in handen kreeg gedrukt een stedenbouwkundige schets van de gemeentelijke dienst over hoe dit gebied zich verhoudt tot de stad. Anderen zouden beginnen bij het behoud van waardevolle gebouwen, maar hier kiest men voor het grotere geheel.’ Bij de kleinere plattelandsgemeenten is dat een ander verhaal. Feddes hierover: In de steden zit veel ontwerpenergie, maar in het landelijk gebied is dat veel minder. De opgaven zijn daar minder sexy. Een ecoloog tekent dan even een landschapsplannetje en dat wordt klakkeloos uitgevoerd; dat kan gewoon niet. Maar het is niet aan ons om tegen zo’n gemeente te zeggen dat ze een goede landschapsarchitect in dienst moeten nemen.’ Misschien dat de instelling van regionale dorpsbouwmeesters – analoog aan de stadsbouwmeester die Groningen bijvoorbeeld heeft – hier kan helpen, zo werd geopperd.
Naast een gebrek aan goede medewerkers wreekt zich de mentale basishouding bij lokale overheden, aldus Van der Pol: ‘Ze vechten zich dood voor het behoud van die laatste school en dat laatste gezin. Het is een dorps denken, dat geënt is op het groeidenken van weleer. Dat wordt versterkt door de Rijksnormen, die op aantallen subsidiëren. In plaats daarvan zullen dorpen veel meer moeten samenwerken. Gelukkig zien we daar nu de eerste ideeën over ontstaan.’

Einde aan top-down
Over de krimp bestonden bij de Rijksadviseurs echter niet alleen negatieve gevoelens. Liesbeth van der Pol wees bijvoorbeeld op de kracht van individuen (zijnde géén professionals) die deze regio met hun initiatieven op sleeptouw kunnen nemen. Naar aanleiding van het zien van een film over het Lauwersmeergebied kwam ze tot dat inzicht: ‘Zo’n stoere man in een trui met een rits, die uitkijkt over het gebied en zegt: hier moet iets kade-achtigs komen. Prachtig om te zien. Het maakte mij duidelijk dat krimp alleen een tegenwicht kan krijgen door de persoonlijke initiatieven van mensen.’ Het topdowndenken van weleer werkt hier niet meer, aldus de Rijksbouwmeester. ‘We moeten de kleine chirurgische ingrepen bundelen van mensen die verbonden zijn met de kracht van hun plek. Dat moeten we naar boven halen! Op jacht dus naar particulieren met goede ideeën.’