Nieuws —

Gezondheidscentrum Jozef: Wederopbouwmonument verrast van binnen

Annemieke Molster

Bij een klooster denk je aan een mooi oud gebouw dat rust uitstraalt, met een kloostertuin en een rondgang. Er heerst een serene sfeer. De stijl is vaak romaans, gotisch of neoclassicistisch. Maar er zijn ook kloosters uit de wederopbouwperiode. In Deventer staat het Sint Jozef klooster, onderdeel van een voormalig ziekenhuiscomplex. Het werd onlangs door minister Plasterk uitgeroepen tot wederopbouwmonument en is na een ingrijpende verbouwing door One Architecture sinds deze zomer in gebruik als gezondheidscentrum.

Matthijs Bouw van One Architecture probeerde de kloostersfeer te behouden, maar ging rigoureus te werk. Hij zaagde stukken weg en voegde nieuwe elementen toe. Of er nu nog sprake is van de typische kloostersfeer is de vraag, maar het gebouw is in ieder geval klaar voor en nieuwe toekomst.

Als je aankomt is er weinig bijzonders te zien: het gebouw heeft simpele bakstenen gevels met stijlelementen van de Delftse School. Het medisch centrum heeft geen prominente entree, die ligt om de hoek bij de ingang van het ziekenhuis. Het geheel heeft een typische renaissance opzet met gebouwen rond een kloostertuin. Om de tuin liggen het ziekenhuis, twee beddenvleugels, en het klooster. Het ontwerp van One Architecture beslaat alleen het klooster en één van de beddenvleugels. Hier zijn inmiddels de bloedbank en een tiental praktijken gehuisvest, van onder meer huisartsen, fysiotherapeuten en verloskundigen. De entrees voor de bloedbank en de praktijken liggen verscholen achter de kloostermuur. Je ziet ze pas als je dichtbij bent, doordat er twee rechthoeken uit de muur zijn gesneden.

Een glazen wand steekt boven de kloostermuur uit. Het is een van de beddenvleugels, die Matthijs Bouw heeft afgezaagd om ruimte te maken voor extra parkeerplaatsen. Hij noemt dit, op de website van One Architecture, een protestantse ingreep in een katholiek gebouw. Een deel van het gebouw is blijven staan, zodat het beeld vanuit de kloostertuin gelijk gebleven is. De zaagsnede is ingevuld met glas. Voor het afgezaagde gebouw langs staat een nieuwe betonnen gevel, bedekt met glanzende roze tegels waarin een orgaanreliëf is verwerkt – het resultaat van een samenwerking met kunstenaar Berend Strik. Hierachter is de bloedbank gevestigd. De entree voor de praktijken ligt misschien wat achteraf, maar voor de interne ontsluiting is dat juist handig. Je komt binnen bij de centrale toren waarnaast de receptie ligt en het trappenhuis dat de wachtruimtes van de praktijken ontsluit. Er is een ander trappenhuis waaromheen de teamruimtes voor het personeel georganiseerd zijn.

Het gebouw blijkt niet van baksteen te zijn, maar van beton. Het baksteen functioneert alleen als gevelmateriaal. Net na de oorlog werd door de Delftse school teruggegrepen op de historie en werd het goedkope en kille beton verhuld. De ontwerpers hadden meer lef moeten hebben volgens Bouw, ze hadden het beton gewoon moeten laten zien. Dat manco maakt hij nu alsnog goed, althans op een aantal plaatsen. De nieuwe muur aan de binnenplaats is van beton en de wachtkamers kregen betonnen panelen op de gevel. Waar hij zaagt, komt het beton naar voren, zoals bij de beddenvleugel en bij de toren waar hij de vloeren uit haalde. In het oorspronkelijke gebouw werd ook glas in lood toegepast. Berend Strik maakte nieuwe glas in lood ramen om hier op eigentijdse wijze op aan te sluiten. In feite zijn er nu vier perioden in het gebouw te zien: de renaissance in de opbouw, de hang naar historie van de Delftse school, de werkelijke architectuur van de wederopbouw en de toevoegingen van de 21e eeuw.

De verschillende stijlen en ontwerpelementen in het gebouw zorgen voor verschillende sferen. In de voormalige kapel is nu de apotheek gevestigd. Hier contrasteert oud en nieuw het meest. Het is de mooiste ruimte van het hele gebouw met glas in lood ramen en houten sierpanelen in een hoog plafond. De kasten met medicijnen hebben hun eigen verlaagde plafonnetje met verlichting en ook de balie is van deze tijd. Het nieuwe trappenhuis refereert aan een kerkmeubel. Bouw wilde de wachtkamers een ‘biechtstoelsfeer’ geven. Hij ontwierp zelf de wachtkamers op de verdieping. De andere wachtruimtes werden door verschillende interieurarchitecten gedaan.  Misschien komen die op de verdieping nog het meest in de buurt van de sfeer die hij voor ogen had, maar het zijn toch vooral moderne, warme ruimtes geworden. Er zitten meerdere mensen op een rij te wachten en er is een balie met een assistente. Met een klein houten huisje en twee zitplaatsen ter weerszijden van een scherm heeft dit weinig te maken. Is de assistente de priester en zijn de wachtenden de biechters? Maar biechtstoelsfeer of niet, het zijn wel prettige ruimtes. Ook het nieuwe houten trappenhuis in de voormalige kapel zou die ‘biechtstoelsfeer’ moeten hebben. Dat zie ik niet zo, maar mooi is het wel.

Het serene van een klooster komt terug in de witte gangen. Bouw spreekt hier over ‘ziekenhuiswit’. Sereen en wit inderdaad, maar ook wat aan de kille kant. Als laatste de kloostertuin. Die is overwoekerd en kan niet betreden worden, wat vooral de dames van de bloedbank erg jammer vinden. Het zou juist mooi zijn als de bloeddonoren bij goed weer even buiten konden bijkomen van de donatie. Misschien kan dat alsnog als de rest van het complex en de tuin worden aangepakt. Daar liggen kansen om de kloostersfeer te versterken en de uitstraling van het geheel naar een hoger plan te tillen. Zeker als het ook (weer) mogelijk wordt de hele ommegang rond te lopen en de hele tuin te overzien.

Op de glazen wand van de beddenvleugel na, is er aan de buitenkant niet zoveel te zien. Binnen is het verrassend mooi. De uitspraken van Bouw zijn soms wat hoogdravend (‘protestantse ingreep’, ‘biechtstoelsfeer’), maar hij heeft er wel wat bijzonders van gemaakt en dat is maar waar het om gaat. Zoals hij ook zelf zegt: ‘een mooi gebouw blijft langer courant’, en dat blijft het klooster vast.