Recensie —

Gouden Gids van mooi Nederland

Eric-Jan Pleijster, Peter Veenstra, Cees van der Veeken

Mooi Nederland is maakbaar en in boekvorm verkrijgbaar. Handig, want niet iedereen woont in de buurt van een mooi stukje Nederland, zoals de drieëntwintig projecten in het Jaarboek Landschapsarchitectuur en Stedenbouw 2007/2008.

Zoals je van sommige tentoonstellingen beter de catalogus kunt kopen, geldt dat misschien ook voor dit exposé van wat ontworpen Nederland vermag. Zo zonnig en spontaan als de nieuwe stukjes Nederland op de foto staan, zul je ze in werkelijkheid vermoedelijk niet aantreffen. Al die waterspetterende kinderen, zwaaiende postbodes, skatende pubers en lachende straatmuzikanten op de voorgrond suggereren een wereld better than the real thing.

De projecten
Het officieuze thema van dit jaarboek is dan ook 'Mooi Nederland', en zowel vorm als inhoud ondersteunen dit thema met verve. Maar als we op de keuze van de selectiecommissie af moeten gaan, vinden we mooi Nederland vooral in de binnenstad, daar waar de vierkantemeterprijzen hoog zijn. Deze editie scoort negen projecten stedelijke herinrichting, zes openbare ruimten, drie gebiedsontwikkelingen, één stedelijke uitbreiding, en slechts vier stuks in de categorie park, tuin en landschap. Dat is zestien stedelijk tegenover zeven landschappelijk, terwijl dat in de editie 2003/2007 nog vijftien tegen zeventien was. Geen natuurprojecten, slechts één uitbreidingswijk, geen 'werklandschappen' of infrastructurele werken. In het boek wordt niet toegelicht of deze verschuiving het gevolg is van het aanbod (de ingezonden projecten) of dat het hier om een bewuste keuze van de selectiecommissie gaat.

Dat zowel ontwerp als selectie mensenwerk zijn, valt ook op te maken uit het feit dat sommige ontwerpers ineens verrassend goed vertegenwoordigd zijn. Vorige editie had Strootman ineens de geest, deze keer is het drie maal raak voor Michael van Gessel. Toeval of niet, samen met het nieuwe stadshart van Almere, de Philips Hightech Campus en de A8rena maken zijn projecten wel dit jaarboek. Verder komen we een aantal bekende gezichten tegen: Baljon, Quadrat, DS, Lubbers en HNS.

Er zijn ook een aantal ontdekkingen. Zoals de Vestingwerken in Den Bosch, een opvallend goede inzending, die ineens tussen de soms al meer dan een decennium lang lopende projecten uitspringt. Dat landschap langzaam is, verklaart indirect de absentie van de new wave van jonge Nederlandse landschapsarchitecten – althans tussen de geselecteerde projecten. Edwin Oostmeijer en Sjoerd Cusveller nemen het in de begeleidende essays wel nadrukkelijk op voor deze groep, waarvoor natuurlijk hulde. Zij stellen dat de inhoudelijke vernieuwing van het vak momenteel juist van de jonge bureaus komt. Die hebben traditioneel de energie en geldingsdrang om zich te bezigen met ruimtelijke onderzoeken en ideeënprijsvragen. Daarvoor is in dit jaarboek achterin gelukkig weer ruimte gereserveerd, want veel experimenten zullen uiteindelijk nooit gefotografeerd worden.

Mooi en makkelijk
Experimenteerdrift in de realisatie is opmerkelijk genoeg vooral in de hoek van de architect- stedenbouwkundigen te vinden. Nieuw Leyden van MVRDV, A8rena van NL Architects en Stadshart Almere van OMA zijn voorbeeldige bewijzen van een integrale oplossing voor gebouw en omgeving. Het zijn vooral de catchy projecten in de stedelijke omgeving en met stadse afmetingen waar je als lezer wat langer blijft plakken.
Tekenend in het jaarboek is dan ook het ontbreken van vernieuwende natuurontwikkelingsprojecten, voorbeeldige staatsprojecten of ondubbelzinnig uitgevoerde landschappen op regionale schaal. Een aantal grootschalige projecten wordt wel terloops genoemd in de essays, maar de verwezenlijking van deze plannen laat over de gehele linie te wensen over: ze worden veel te laat, in sterk uitgeklede vorm of helemaal niet uitgevoerd.

Feit is dat kant-en-klaar public space design en landscaping rondom architectuurprojecten nu eenmaal makkelijker, mooier en meer mediageniek zijn dan een zich ontwikkelend landschap, waar de eerste jaren alleen heckrunderen door de modder banjeren. Er ontstaat het beeld dat de landschapsarchitecten en stedenbouwers vooral bezig zijn als schoonmakers, reparateurs en decorateurs van vervallen stukjes binnenstad, vergeten tuinen, restruimtes en verwaarloosde kades. Projecten zoals de Raambuurt in Deventer, of de Kloostertuin in Dordrecht: stuk voor stuk goede projecten, maar ook projecten die weinig discussie oproepen of vernieuwing brengen, nieuwe inzichten bieden.

VROM en NAi willen ons met respectievelijk Mooi Nederland en Maak ons Land doen geloven dat de ruimtelijke ordening door middel van jaarboekachtige voorbeeldprojecten  ‘van onderop’ te redden valt, maar dat is toch wat te makkelijk gedacht. De kleinschalige projectmatige aanpak van de neoliberale orde is nu juist de reden dat het landschap voor onze ogen verkruimelt, goede voorbeelden uitgezonderd.

Meer dan alleen eyecandy
Het Jaarboek Landschapsarchitectuur en Stedenbouw in Nederland 2007/2008 beschrijft drieëntwintig goede en/of mooie projecten, die worden begeleid door maar liefst zes essays – en dat alles in een mooie verpakking. Het is een uitstekend naslagwerk en bovendien, nu er ieder jaar een nieuwe editie uitkomt, up-to-date. Al met al dus een absolute must have. Maar als het jaarboek wil laten zien hoe er door stedenbouwers en landschapsarchitecten aan mooi Nederland gewerkt wordt, dan mag het de grootschalige en buitenstedelijke projecten niet uit het oog verliezen. De complexiteit en ongrijpbaarheid maken regionale projecten, natuurontwikkelingen en herstructureringen vaak lastig om weer te geven, toch  verdienen ze wel degelijk – naast de  binnenstedelijke hitsongs – de aandacht. We kijken dan ook uit naar de volgende editie, waarin hiervan hopelijk meer te vinden is. En wellicht staan er dan achterin, naast de logo’s van de projectontwikkelaars, ook logo’s  van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten.