Feature —

Spelregels in de architectuur

Karen Heijne

Op 8 december jl. was de vloer van theater de Brakke Grond in Amsterdam voor architect Jeroen Geurst. Op uitnodiging van Arcam vertelde hij over zijn fascinatie voor spelregels. Spelregels voor het beoefenen van architectuur, en spelregels die een architect in de gelegenheid stellen om verschillende rollen te spelen.

Jeroen Geurst in de Brakke Grond, Amsterdam
Jeroen Geurst in de Brakke Grond, Amsterdam

Kijkend naar het werk van het bureau Geurst en Schulze is het thema spelregels welgekozen. Met name de grote projecten laten een duidelijk verwantschap met elkaar zien en kenmerken zich door een sobere, rationele en klassieke uitstraling; een architectuur met ritme en plasticiteit door een spel met vooraf bepaalde elementen.

Bureau, inspiratie en werkwijze
Een gewonnen prijsvraag voor woningbouw in 's-Hertogenbosch was de aanleiding om in 1984 Geurst & Schulze architecten op te richten. Jeroen Geurst en Rens Schulze zijn gestart in de woningbouw en daar ligt de nadruk van het bureau nog steeds. Ook de lijn van de architectuur die in het eerste project is uitgezet, is nog steeds van kracht: strakke gevels van duurzaam metselwerk, horizontale belijningen, Franse balkons en andere subtiele elementen om verbijzonderingen aan te brengen.

Jeroen Geurst is door een aantal architecten van naam geïnspireerd. Tijdens zijn studie aan de TU Delft heerste toentertijd het modernistische regime en werd zijn interesse gewekt door de werkwijze van Aldo van Eyck. Van Eyck analyseerde eerst de context voordat hij aan het ontwerpen sloeg.  De stad beschouwde hij als één groot onderzoeksterrein. Een grote verzamelbak met zowel architectonische als sociale elementen die gebruikt konden worden bij het maken van een nieuw ontwerp, van welke schaal dan ook. Het moderne versmolt hij zo met de rijke geschiedenis van het bestaande.
Een andere architect die Geurst inspireerde is Alvaro Siza. Met Siza hebben Geurst en Schulze onder andere in Den Haag samengewerkt. Ondanks de geheel andere architectuurstijl hanteert Siza eigenlijk dezelfde werkwijze als Van Eyck. De Portugese architect bestudeerde nauwgezet de situatie die hij ter plekke aantrof en gebruikte de Haagse portiekwoning als woningtypologie en ontsluitingsprincipe. Siza is niet geïnteresseerd in een stijl, maar zoekt naar een handschrift dat verschillende talen kan schrijven, afhankelijk van de opgave en lokale omstandigheden.

Het spel van de architect
De tweede invalshoek voor het thema spelregels zijn de verschillende rollen die een architect binnen het totale proces van ontwikkelen en bouwen kan spelen. En vooral ook welke invloed een architect daarmee uit kan oefenen op dat proces. Geurst verduidelijkt deze spelregels aan de hand een aantal eigen projecten op stedenbouwkundig niveau, door hem stedelijke ensembles genoemd.
Geurst toont het Funen in Amsterdam. Het Funen is een bijzonder woningbouwblokje met patiowoningen over meerdere bouwlagen binnen het stedenbouwkundig plan van supervisor Frits van Dongen. Het bureau had hier traditioneel de rol van architect.
Voor de Campus Overhoeks in Amsterdam Noord maakten Geurst en Schulze het stedenbouwkundig plan en traden ze daarnaast op als supervisor en als architect. Als supervisor moesten ze hun eigen stedenbouwkundige regels bewaken. Voor de invulling van het plan nodigde de ontwikkelaar, ING Real Estate Development, internationale toparchitecten uit, architecten met een eigen en vooral eigenwijze mening en bijpassend ster-ego. Probeer binnen dat spanningsveld je oorspronkelijke ideeën maar eens overeind te houden, een grote uitdaging voor een supervisor aldus Geurst. Met hier en daar wat uitzonderingen lijkt het met de uiteindelijke architectonische invulling toch aardig goed te komen, al maakt het eigen project uiteraard het best gebruik van de opgestelde stedenbouwkundige regels.
Bij blok 7 op IJburg was het bureau in eerste instantie ingehuurd als coördinerend architect. Met meerdere architecten moest één blok ontworpen worden om de diversiteit in de verschijningsvorm te waarborgen. Om financiële redenen werden Geurst en Schulze uiteindelijk als enige architect aangesteld. En, het laat zich raden, door middel van zelf opgestelde spelregels is een zeer divers woonblok ontstaan. Alsof er toch nog door meerdere architecten aan ontworpen is.
Het Andreas Ensemble op het terrein van het voormalige Andreasziekenhuis in Amsterdam moet een brug vormen tussen de gordel van Berlage en het uitbreidingsplan van van Eesteren, aldus Geurst. Vele architecten hebben hieraan getekend voordat Geurst en Schulze de opdracht kregen. Ook hier treden zij op als ontwerper van het stedenbouwkundige plan, als supervisor en als architect. Vanuit de zaal wordt de vraag gesteld wat Geurst had gedaan als hij eerder bij het project betrokken zou zijn geweest. Zou hij zijn ‘rol’ hebben ingezet om het nu gesloopte gebouw van het bureau Duintjer & Istha te behouden? Het antwoord is ja. Deze vraag laat nadenken over de rol, de verantwoordelijkheid en de invloed van de architect.

De spelregels die de architect de mogelijkheid geven vanuit verschillende rollen te opereren is een interessant en actueel thema. Welke rol kan of moet je als architect vervullen? Echter de wijze waarop Geurst het behandeld is niet altijd gelukkig gekozen. Door louter voorbeelden uit eigen werk te kiezen waarbij het bureau ook nog meerdere rollen per project vervuld, komt het gehele spectrum van het thema niet goed uit de verf.

Spelregels
Inspirerender wordt de lezing als Geurst vertelt over zijn boek dat binnenkort uitkomt, een publicatie over het werk van de architect Edwin Lutyens. Deze Engelse architect heeft na de Eerste Wereldoorlog het team geleid dat de ontwerpen maakte voor begraafplaatsen in België en Frankrijk voor de omgekomen Britse soldaten. Vanwege het grote aantal werden de soldaten ter plekke begraven langs de oorspronkelijke frontlinie. Lutyens en zijn team stelden ontwerpspelregels op die per locatie op een passende manier zijn ingevuld. Er werd gebruik gemaakt van standaard elementen zoals het kruis, een natuursteenblok als een altaar, een lage ommuring als een soort opgetrokken fundering en een stelsel van treden om het hoogteverschil in het landschap op te vangen. Hiermee zijn de begraafplaatsen zowel locatie specifiek als dat ze herkenbaar zijn als een onderdeel van een groter geheel.

De studies en analyses die Geurst heeft gemaakt voor het boek tonen hoe hijzelf in het architectuurvak staat. En Lutyens werk blijkt duidelijk een grote inspiratiebron, zoals te zien is bij de projecten de Campus Overhoeks en het Andreas Ensemble. Geurst laat bijvoorbeeld in het stedenbouwkundig ontwerp van Overhoeks de fundering van de parkeergarage zien, die net door het niveau van het maaiveld heen schiet. Er zijn met aandacht passende regels opgesteld, naar het voorbeeld van Lutyens, om op vernuftige wijze de openbare ruimte te onderscheiden van de semi-openbare ruimte en de privé ruimtes. Het spel van het opstellen van spelregels vanuit de context en het consequent toepassen ervan levert interessante en inspirerende architectuur op zoals blijkt uit het oeuvre van Geurst en Schulze.