Feature —

Het architectonisch brein: de zoektocht naar een nieuw idee

Stijn Hooijer

Edwin Gardner, architect en tot voor kort webredacteur van Volume/Archis sprak op 26 januari op de Academie van Bouwkunst in Groningen over ‘Het architectonisch brein’. De lezing vond plaats in het kader van ‘Ontwerp en inspiratie’, een lezingenreeks met het ontwerpproces als thema. Gardner behandelde een uiterst interessant, maar moeilijk te vatten onderwerp: de mystieke ruimte van een nieuw idee; hij is vooral geïnteresseerd in het begin van het ontwerpproces, het moment waarop iets nieuws ontstaat. Juist dit moment is moeilijk te definiëren.

image: Alberto Hernandez

Edwin Gardner studeerde bouwkunde aan de TU in Delft. De lezing is gebaseerd op zijn afstudeerscriptie Reasoning in Architecture: About the Diagrammatic Nature of Thinking with Real and Imagined Objects. Het belangrijkste doel van het onderzoek was om door te dringen tot de denkprocessen binnen het architecturaal ontwerp, met name de creatieve en intuïtieve manieren van denken. Om de mystieke sluier binnen het ontwerpproces op te lichten, kiest Gardner ervoor om de gedachtegang van een architect uit te leggen als methodes van redenering.
Met behulp van de inzichten van Charles Sanders Peirce (1839-1914), een Amerikaans filosoof en wiskundige, gaat Gardner op zoek naar de oorsprong van nieuwe ideeën via de redenatie. Denkers die zich bezighielden met de logica hadden twee soorten redeneringen vastgesteld, de deductieve en inductieve redenatie (1). Peirce stelt dat hiermee nooit iets nieuws is te vinden, omdat er gebruik wordt gemaakt van aannames. Hij introduceert als alternatief het abductief redeneren (2).

De volgende stap die Gardner neemt, is het belang van retoriek te benadrukken. Aristoteles’ boek Rethorica speelt ook een belangrijke rol in zijn onderzoek. Aristoteles (384-322 v. Chr.) was een Grieks filosoof, die onderzoek deed naar de kunst van het overtuigen. Hij onderscheidt drie overtuigingsmiddelen – logos, ethos en pathos (3).
Een architect gebruikt retoriek om zijn ontwerp over te brengen op zijn publiek. De International Port Terminal in Yokohama, Japan werd door de architecten van Foreign Office Architects toegelicht tijdens een voordracht in 1995. Gardner stelt dat het publiek weinig interesse toonde, totdat de architect beweerde tijdens het ontwerpproces een associatie met de De grote golf bij Kanawaga van Katsushika Hokusai (1760-1849) te hebben gehad. Het gaat er niet om of deze associatie plaats vond tijdens het ontwerpproces, maar of het een aansprekend voorbeeld is, aldus Gardner. Hier wordt gebruik gemaakt van een retorische vorm van inductie (4). In Japan zijn de houtsneden van Hokusai gemeengoed. Het publiek is ermee vertrouwd en laat zich hierdoor snel overtuigen van de waarde van het ontwerp voor de terminal.

Gardner benadrukt hierna het belang van de diagrammatische redenatie voor de architectuur (5). Peirce ontwikkelde deze vorm van redenatie om een verklaring te zoeken voor de creativiteit in de wiskunde. Gardner is er echter van overtuigd dat het tevens inzicht kan geven in hoe architecten redeneren via het maken van tekeningen en modellen. Hij illustreert dit aan de hand van het ontwerpproces van de Seattle Central Library. Joshua Prince-Ramus, voormalig directeur van OMA New York, geeft in 2006 een lezing over de totstandkoming van deze bibliotheek met behulp een aantal diagrammen. Als eerste maakte Prince-Ramus een staafdiagram van alle benodigde functies in het gebouw. In een volgend diagram zijn de volumes ten opzichte van elkaar verschoven. In een doorgaande lijn staan programmaonderdelen, die bestendig zijn zoals boekopslag en kantine. Programmaonderdelen die wellicht in de toekomst onnodig worden, zoals een leeszaal, zijn naar rechts geschoven. Een week later presenteert hij aan de opdrachtgever een maquette van het gebouw met volumes, die ten opzichte van elkaar zijn verschoven. Diagrammatisch redeneren heeft ertoe geleid dat een tweedimensionaal diagram zijn directe vertaling vindt in het uiteindelijke gebouw. Het enige dat is gebeurd, is de gegevens op een andere manier interpreteren.

Gardner vat zijn inzichten samen in een grafiek. De verschillende redenatiemethoden staan op de verticale as, en de stadia in het ontwerpproces op de horizontale as. Hij stelt dat een ontwerpproces begint met een analyse van de randvoorwaarden: opdrachtgever, budget, locatie. Dit gebeurt door middel van deductief redeneren. De volgende stap bestaat uit een onderdompeling in the black box; het zoeken naar nieuwe ideeën. De ontwerper gaat vrij associëren (abductieve redenatie) en komt langzaam tot gesloten conclusies (deductieve redenatie). Het resultaat is een tekening.
Er bestaat in de grafiek een tweedeling tussen de analyse en het daadwerkelijke ontwerpproces. Gardner koppelt beide fases in het ontwerpproces niet aan elkaar, maar laat een gat open. Er ontspant zich een discussie. Het publiek vult dit gat meteen in met intuïtie, maar Gardner is het hier niet mee eens. Hij schaart intuïtie onder abductie. De zaal vindt dat echter te beperkt.

Gardner wilde graag inzicht krijgen in het mysterie van de totstandkoming van een nieuw idee. Hij formuleerde de hypothese dat het denkproces is uit te leggen als een combinatie van methodes van redenatie. Met deze keuze sloot hij echter meteen uit dat hij het mysterie zou oplossen. Het ondoorgrondelijke laat zich immers niet vangen in redenaties. Toch heeft Gardner onbewust, in het gat in zijn grafiek, het mystieke element een plek gegeven. Het onverklaarbare wordt gevisualiseerd als een gat in zijn redenatie.