Feature —

Joost Swarte en de levenzoekende weg

Willemien van Duijn

Jan Klaassen en Katrijn, The New Yorker en een drollenkleed. In de serie architectuurlezingen in de Amsterdamse Brakke Grond was het op 12 januari de beurt aan striptekenaar Joost Swarte die vertelde over zijn werk en wat hem bezighoudt. De avond had veel weg van een doorlopend stripverhaal waarin een selectie van het werk van de spreker ingekleurd werd.Een rariteitenkabinet aan verschillende ontwerpen als glas in loodramen voor het Paleis van Justitie in Arnhem, een kleed met oranje hondendrollen voor de kinderkamer en de kerstzegels van het jaar 1991.

Swarte, ooit in Eindhoven begonnen aan de studie industriële vormgeving, wijt het aan het lettertype Helvetica dat hij de studie niet heeft afgerond. “De mentaliteit in Eindhoven was Zwitsers, als er één letter is die alles aankan, waarom er dan meer te ontwerpen?” Swarte liet zich het ontwerpen van letters echter niet afnemen, brak daarom na drie jaar zijn studie af en werd striptekenaar. Voor hem bestaan er geen doodlopende wegen, slechts levenzoekende.
Maar wat deed deze striptekenaar op het door Arcam geboden podium waar doorgaans alleen architecten hun verhaal doen? Het binnenkort gereedkomen van een woningblokje in de Amsterdamse Willemsstraat was de aanleiding, maar de tekenaar baarde in architectonisch opzicht eerder opzien door het interieur te ontwerpen van het Hergé museum in het Belgische Louvain la Neuve en door zijn ontwerp voor de Toneelschuur te Haarlem.
Dat het een striptekenaar was die zo’n droomopdracht kreeg was te danken aan het comité van externe experts dat het  theater had geraadpleegd. “Het comité zocht een ontwerper met een bescheiden inkomen die ook in staat was het plan te presenteren.” Zo kwam men bij de tekenaar die woont en werkt in Haarlem.

Swarte vertelt dat hij vóór het Toneelschuur-project alleen de uitbouw van zijn eigen huis had ontworpen. “Daar had ik al wel wat elementaire zaken ontdekt zoals rioleringen.” Hij vroeg bevriend architect Thijs Asselbergs tijdens het ontwerpproces: ”Als ik iets fout doe, wil je me dat dan zeggen?” Asselbergs antwoordde: “ Je doet veel goed, maar jij trekt een lijn terwijl een muur dikte heeft.” Dit is behoorlijk basale kennis als je een theater wilt ontwerpen, maar gedurende de lezing werd het door dit soort oprechte uitspraken duidelijk dat Swarte niet hoogmoedig is, weet waar zijn kwaliteiten liggen en ook weet wanneer zijn kennis tekort schiet. Dit maakt hem tot een innemende persoonlijkheid met indrukwekkende opdrachtgevers.

Zo maakt Swarte regelmatig illustraties voor weekblad The New Yorker. Dan komt op donderdagavond een mailtje binnen of hij een cartoon wil tekenen bij artikelen handelend van origami tot ’s werelds grootste zadenbank. “En dan zeg ik ja, want tegen de New Yorker zeg ik altijd ja. Op vrijdag lees ik het artikel, op maandag lever ik mijn eerste schets in, dit zijn meestal drie varianten. Op dinsdagavond wil ik weten welke ze gaan kiezen want ik moet ook nog langs de lithograaf die het scanwerk doet en dan hebben ze op donderdag de tekening binnen.”
Swarte toonde hoe hij al schetsend  op zoek gaat naar de kern van het artikel. Bij die zoekende schetsen zitten varianten waarbij je kan denken: ‘uiteraard’ of zelfs ‘wat voor de hand liggend’. Maar dan weet hij met één tekening ineens de kern te raken. Zoals men bij een goed gebouw zonder zoeken de entree kan vinden, zo hebben de illustraties van Joost Swarte het artikel niet nodig, het beeld zelf vertelt het verhaal.

Dit zit ‘m meestal in de compositie van het beeld. Swarte zet architectonische middelen in, de ruimtelijke context maakt een heel belangrijk deel uit van het verhaal dat hij wil vertellen. Op soms Piranesi’s Carceri d’invenzione-achtige wijze leidt de ene ruimte de andere in, en voert het niets naar niets. Swarte als architect zou passen in de jas van de traditionele architect die alles binnen zijn architectuur ontwierp: van baksteen tot tafelzilver, van deurklink tot kroonluchter. Het gesamtkunstwerk. Voor de Toneelschuur ontwierp hij uiteraard ook een nieuw affiche met een nieuwe letter en voor het Hergé-museum nam hij uiteraard ook de bewegwijzering voor zijn rekening. Met veel enthousiasme toonde de spreker het huisnummer dat hij ontwierp bij de Willemsstraat en de muurankers die de koppen van Jan Klaassen en Katrijn, vroegere bewoners van deze straat, in zich verenigen.

De projecten die Joost Swarte aflevert tonen allemaal dat er nauwgezet, met discipline en plezier aan is gewerkt. De ontwerper heeft oog voor detail en voor de toekomstige gebruiker. Het ontwerp voor de Willemsstraat bestaat uit twee percelen, het rechterdeel van de gevel wordt ingenomen door een modern volume dat het trappenhuis herbergt, het linker door een versoberde klokgevel. (Is Swarte hier wellicht geïnspireerd door het plan van Claus en Kaan in de Amsterdamse Binnen Wieringerstraat?) De welstandscommissie van Amsterdam ging akkoord met deze heftige ingreep in een historische gevelwand en verantwoordde haar advies door handig gebruik te maken van de Nederlandse taal: “Weet je wat, we noemen het: cartoonesk terugbouwen.”
“De Willemsstraat heeft iets van haar leven verloren” vertelde Swarte, “de panden zijn naar binnengekeerd.” Om een stuk van het sociale leven dat ooit zo kenmerkend was voor deze Jordanese straat terug te kunnen geven besloot de ontwerper om het trappenhuis prominent aan de gevel te leggen. Volledig transparant zodat men vanaf de straat de voordeuren van de verschillende appartementen kan zien.
Refererend aan de zichtlijnen in het huis dat Eileen Gray voor zichzelf ontwierp, waarin ze vanuit haar bed de brievenbus in de gaten kon houden, heeft Swarte de keuken in het hart van de appartementen geplaatst. “Met de keuken op deze prominente plek kan er als de één kookt altijd contact zijn met de ander.”

Swarte toonde een foto van de trap, tijdens de bouw gemaakt, nog zonder balustrade. “Ik vind het altijd zo zonde als er dingen toegevoegd moeten worden, laat toch gewoon zo!” De frustratie van iedere architect, maar ook iets dat opgelost moet worden in de architectuur. Of Swarte daar in is geslaagd kan een ieder tot 7 maart zelf bepalen door een bezoek te brengen aan het Joost Swarte-huis, waar op de begane grond tevens een tentoonstelling is ingericht.