Recensie —

Het fotoalbum van Venturi en Scott Brown

Thomas Wensing

Yale University hield op 21 en 22 januari een symposium met de titel Architecture After Las Vegas, waarbij de contributie van Denise Scott Brown en Robert Venturi aan de architectuur weer eens onder de loep werd genomen. Het symposium was georganiseerd ter gelegenheid van een tentoonstelling met foto’s uit het archief van Denise Scott Brown en Robert Venturi, waar Las Vegas Studio Images from the Archives of Robert Venturi and Denise Scott Brown de catalogus van is.

Yale University gaf de tentoonstelling de naam What We Learned: The Yale Las Vegas Studio and the Work of Venturi Scott Brown & Associates, en als ik de besprekingen van het symposium mag geloven was het een gezellig samenzijn van klinkende namen zoals Rafael Moneo, Robert Stern, Peter Eisenman, Beatriz Colomina en Stanislaus von Moos, die allemaal hun lof betuigden aan het duo. Het is inmiddels meer dan veertig jaar geleden dat de 10 studenten van Yale samen met Denise Scott Brown, Robert Venturi en Steven Izenour naar Las Vegas gingen om de commerciële architectuur van ‘the strip’ in kaart te brengen. Dit deden ze met behulp van moderne visuele en technische middelen; fotografie, film, geluidsopnamen, (er werd zelfs een helicopter geleend), en de analyse werd gepresenteerd met diagrammen, collages en een geschreven manifest in het spraakmakende Learning from Las Vegas (1972).

De hypothese voor de studio was dat het de moeite waard is om commerciële en populistische architectuur met onbevangen blik te benaderen om zo de nieuwe, op de automobiel georiënteerde, landschappen te kunnen begrijpen. Het idee was dat het zogenaamde utopisch modernisme een vormentaal hanteerde die was gebaseerd op fabrieksgebouwen, graansilo’s en abstracte kunst, maar daarmee een iconografie hanteerde die niet aansloot bij de belevingswereld van de meeste mensen, en dus ook niet in staat was om betekenisvol op deze maatschappelijke ontwikkelingen te reageren. Om dit punt te maken werd het aforisme van Mies ‘Less is more‘ door Robert Venturi verbasterd tot ‘Less is a bore‘.

Natuurlijk is het terecht om Venturi en Scott Brown te prijzen, voornamelijk omdat zij het belang van architectuur als communicatiemedium onderkenden, ze benadrukten dat onze ervaring van het landschap en stedenbouw ingrijpend was veranderd, ze een brug sloegen tussen pop-art en architectuur, en, ten slotte, omdat hun onderzoeksmethodiek en pedagogiek ronduit revolutionair was.
Toch vind ik het moeilijk om mezelf bij dit jubelkoor aan te sluiten. Zo is de boodschap van Venturi Scott Brown uiterst selectief, dat wil zeggen dat hun zogenaamde ‘dead-pan’ of ‘objectieve’ weergave van de realiteit van Las Vegas niet zo objectief is als ze ons willen laten geloven. Net als de modernisten, die de geschiedenis ontkenden en vervolgens vrijelijk leenden van diezelfde geschiedenis, is dit natuurlijk een discursieve truck. Wat ik bedoel is dat op pagina 3 van Learning from Las Vegas de ethische verantwoordelijkheid van de architect en van het onderzoek wordt ontkend door bepaalde aspecten van het onderzoeksonderwerp te negeren:
“Las Vegas is analyzed here only as a phenomenon of architectural communication. Just as an analysis of the structure of a Gothic cathedral need not include a debate on the morality of medieval religion Las Vegas’s values are not questioned here.”

Helaas is dit een houding die enorme navolging kende. Onder het mom van het ‘dirty realism’ is het sinds Venturi Scott Brown nu volkomen geaccepteerd om commerciële en andere uitingen van onze laat kapitalistische maatschappij te omarmen en als inspiratie te gebruiken, zonder ook maar een moment over de negatieve consequenties van dit destructieve systeem na te hoeven denken. Als je dit beschouwt, en vooral het essay van Martino Stierli in Las Vegas Studio was voor mij een aanleiding om dat te doen, is het verbazingwekkend hoe Venturi en Scott Brown hun kop in het zand hebben kunnen steken voor de ecologische ramp die de stad Las Vegas betekent. Het grappige is dan ook om te ontdekken dat Venturi en Scott Brown hier wel degelijk op werden aangesproken, vooral omdat de oliecrisis zo’n beetje samenviel met de publicatie van Learning from Las Vegas. Denise Scott Brown werd hierover tijdens een interview voor het blad van James Wines, On Site – On Energy, aan de tand gevoeld (On Site, no. 5/6, 1974). Ze voelde zich duidelijk ongemakkelijk, maar formuleerde geen helder antwoord op de vraag of de energie afhankelijkheid van Las Vegas nu eigenlijk wel zo verantwoord is. De boodschap “Billboards are almost all right” was kennelijk belangrijker voor hen.

Verder viel onder andere Kenneth Frampton Learning from Las Vegas aan door op te merken dat het, vanwege de voornamelijk visueel georiënteerde benadering, in de Engelse picturesque-traditie paste. Natuurlijk viel ook deze opmerking niet in goede aarde, maar toch is er ook hier een kern van waarheid te ontdekken. De verhouding van iconografie tot architectuur is, wat mij betreft, in hun gebouwde werk dan ook nooit bevredigend opgelost. Ironisch genoeg is hun architectuur vaak juist een architectuur voor architecten. Ik geloof niet dat de meeste mensen weten waar de door hen gebruikte referenties nu eigenlijk naar verwijzen en welke formele spelletjes er worden gespeeld.

pagina uit het besproken boek
pagina uit het besproken boek

Dit gezegd hebbende, het boek Las Vegas Studio is een aanwinst voor iedere architectuurbibliotheek. Het merendeel van de pagina’s wordt ingenomen door werkelijk adembenemende foto’s van een Las Vegas dat niet meer bestaat. Ik heb Learning from Las Vegas al jaren in huis, maar deze fotocollectie is een echte verrijking te noemen. Het complementeert het origineel door de kleur, textuur en informele kwaliteit van de collectie; het is net of je over de schouder van Scott Brown en Venturi meekijkt. Learning from Las Vegas kwam voor mij voor het eerst echt tot leven. De reden dat ik Framptons kritiek dan toch aanhaal, is dat het boek Las Vegas Studio door zijn visuele benadering in zekere zin nostalgisch en, inderdaad, pittoresk te noemen is. Terugblikkend was de verheerlijking van Las Vegas wellicht niet de juiste respons op het fenomeen van de extravagante, energie verslindende, commerciële architectuur. Het Las Vegas van toen oogt nu zelfs onschuldig, zeker als je bedenkt dat het alleen maar extremer is geworden. Venturi en Scott Brown gaven zelf toe, in een interview met Rem Koolhaas in Content dat de ‘iconography (in Las Vegas) has been inflated to a new scale.’ Met deze constatering is de vraag wat te doen met dit wereldomvattende fenomeen nog steeds niet bevredigend beantwoord, en dit vraagt om kritische reflectie en, wellicht, een moreel oordeel. Dit is uiteindelijk ook waar het boek Las Vegas Studio teleurstelt. De essays van Von Moos en Stieri zijn verhelderend, maar vooral beschrijvend, en het item waar Peter Fischli, Rem Koolhaas en Hans Ulrich Obrist kletsen over de foto’s kan gerust gemist worden. We weten nu wel zo’n beetje wat Koolhaas over het onderwerp vindt, en deze tekst lijkt dan ook toegevoegd om een grote naam aan de publicatie te verbinden.

Desalniettemin is het een prachtig boek om te hebben, en het heeft mij in ieder geval aangezet om Learning from Las Vegas weer eens te lezen – al heb ik heb uiteindelijk meer vragen dan antwoorden gevonden.