Feature —

Literatuur als inspiratiebron voor architectuur

Stijn Hooijer

De tweede lezing in de serie Ontwerp en Inspiratie bij de Academie voor Bouwkunst in Groningen was voor rekening van Klaske Havik, verbonden aan de faculteit Bouwkunde TU Delft. Op 23 februari sprak zij over schrijvende architecten en de invloed van literatuur op de architectuur. Havik is behalve architect ook dichter. Zij werkt aan een promotieonderzoek naar de relatie tussen architectuur en literatuur.

Het Holocaust-Mahnmal van Peter Eisenman in Berlijn

Het boek Architectural Positions (2009), waar Havik een van de samenstellers van is, vormt het startpunt van haar verhaal. In dit boek zijn teksten van zesendertig architecten uit de laatste vijftig jaar gebundeld, waarin zij zich uitspreken over veranderingen in het publieke domein. Havik onderscheidt vier manieren waarop architecten het schrijven gebruiken en bouwt aan de hand van deze categorieën haar lezing op.

Het ‘schrijven als reflectie’ signaleert zij bij Robert Venturi, Aldo Rossi en Peter Eisenman. Peter Eisenman reflecteert in zijn teksten op zijn eigen positie als architect en op de filosofie. In het oorlogsmonument voor Berlijn probeerde Eisenman het filosofische begrip ‘dislocation’ te vertalen naar architectuur. Volgens Havik is hij hierin geslaagd, aangezien de oriëntatie van tijd en plaats verdwijnt bij het doorkruisen van zijn monument.

John Hejduk en Steven Holl plaatst Havik in de categorie ‘schrijven als inspiratie’. Steven Holl liet zich inspireren door een gedicht uit 1897, Un coup de dés jamais n’abolira le hasard (een gooi van de dobbelsteen kan het toeval nooit uitschakelen) van Stéphane Mallarmé, waarin de dichter speelt met de ruimte van het papier. In 2001 probeerde Holl elementen uit het gedicht te vertalen bij de invulling van Ile Seguin in Parijs door patio’s als dobbelstenen tussen de bouwblokken te verspreiden. Hij vergeleek de toevallige ontmoetingen die in zijn patio’s zouden plaatsvinden met de onvoorspelbare uitkomst van de worp van een dobbelsteen.

De teksten van Bernard Tschumi en Raoul Bunschoten vallen onder het kopje ‘schrijven als ontwerpmiddel’. Tschumi gebruikt zijn boek Manhattan transcripts (1994) om ontwerpideeën te bespreken die in gerealiseerde architectuur onmogelijk zijn. Het schrijven biedt hem de mogelijkheid buiten de bestaande kaders te denken. Onder de categorie ‘schrijven als kritiek’ schaart Havik de Situationisten en Rem Koolhaas. De Situationisten, met de Franse filosoof Guy Debord aan het roer, uitten in de jaren zeventig kritiek op de modernistische architectuur van die tijd. In hun ogen was die te formeel en werd de stad te weinig als geheel benaderd. Bij hun stond het dwalen door de stad hoog in het vaandel. De Nederlandse kunstenaar Constant Nieuwenhuis visualiseerde deze ideeën in zijn werk Nieuw Babylon. De ontwerpen hebben het stadium van maquettes nooit verlaten. Kritiek was belangrijker dan werkelijke uitvoering.

De vier categorieën ‘schrijven als…’ dekken de lading van Havik’s verhaal slechts ten dele. Naast de verschillende manieren waarop architecten tekst gebruiken, bespreekt Havik voornamelijk de invloed van literatuur op architecten. Literatuur in de ruimste zin van het woord, want Havik plaatst met het voorbeeld van Eisenman ook de filosofie binnen de literatuur. Maar zij bespreekt ook het verband tussen architectuur en literatuur in beperktere zin. Enkele romans waarin architectuur een rol speelt passeren de revue. Zij noemt onder andere De onzichtbare steden van Italo Calvino en De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch. In het boek In Babylon van Marcel Möring raakt een man met zijn nichtje ingesneeuwd in een huis vol spullen. Langzaam banen zij zich een weg naar de zolder, terwijl de man zijn familiegeschiedenis vertelt. De architectuur dient hier als ruimtelijke geheugensteun.

Volgens Havik worden veel architecten door boeken als deze geïnspireerd en ze noemt het voorbeeld van een door haarzelf begeleide student aan de universiteit van Delft. Deze student had voor haar project vijf romans gelezen en gezocht naar literaire thema’s die zij wilde vertalen naar architectuur, zoals een verhaallijn en de personages. Aangezien er veel stations voorkwamen in de door gekozen romans, analyseerde zij er vijf. De uitkomsten van haar onderzoek bracht zij samen in een schema. Aan de hand daarvan schreef zij een kort verhaal en dat gaf zij ter voltooiing aan tien verschillende mensen. Deze verhalen boden vervolgens het uitgangspunt voor een aantal maquettes.

Het gebruik van een literair middel toont Havik aan de hand van een ander studentenproject. In de afstudeerstudio Publiek Domein kreeg een groep studenten de opdracht de wijk Transvaal onder de loep te nemen. Een architect kijkt gewoonlijk met een helikopterview naar een opdracht, maar in dit geval richtten de studenten zich op het niveau van de bewoners. Zij onderscheidden vier leefstijlen en gaven deze vorm in vier personages (een middel uit de literatuur). Via deze personages werden zij in staat gesteld om van binnenuit naar de problemen in de wijk te kijken.

Havik wil ontwerpers overtuigen van het belang van literatuur. Zowel van het nut van het schrijven zelf, als van het toepassen van literaire thema’s en middelen in de architectuurpraktijk. Daarnaast kan de aanwezigheid van architectuur in romans dienen als inspiratiebron. Zij eindigt haar lezing met een eigen gedicht over een bunker in het bos bij Wassenaar. De bunker verandert telkens van gedaante, afhankelijk van hoe het licht er op valt. De boodschap van haar gedicht is dat er altijd meerdere kanten zijn van waaruit je iets kunt benaderen. Het is maar net vanuit welk standpunt je kijkt.