Opinie —

Stedenschennis

Errik Buursink

In de naoorlogse tuinsteden in Amsterdam-West, -Noord en de Bijlmermeer is sinds een jaar of tien een enorme stedelijke vernieuwingsoperatie bezig. Onder monumentenzorgers heeft de grootschalige sloop en nieuwbouw in de deze wijken tot veel beroering geleid. Vooral de Westelijke Tuinsteden, gebouwd op basis van plannen van Cornelis van Eesteren en zijn collegae bij de gemeentelijk dienst Stadsontwikkeling, worden door velen van hen beschouwd als een uniek monument van modernistische stedenbouw en architectuur. De aantasting hiervan door stedelijke vernieuwing is volgens Vincent van Rossem, sinds 26 maart hoogleraar Monumentenzorg en Stedenbouwkundige Vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam, net zo goed een daad van vandalisme als de saneringen in de binnenstad, en de stadsvernieuwing in de negentiende-eeuwse wijken dat waren..

Terwijl het sociaal-economische succes van de vooroorlogse stadsdelen de weg wijst naar een stedenbouw die wél toekomstbestendig is, worden de tuinsteden opgezadeld met eenvormige neomodernistische strokenbouw en disharmoniërende, sculpturale superblokken omgeven door wezenloze openbare ruimte. (RB) foto: mtr0212
Terwijl het sociaal-economische succes van de vooroorlogse stadsdelen de weg wijst naar een stedenbouw die wél toekomstbestendig is, worden de tuinsteden opgezadeld met eenvormige neomodernistische strokenbouw en disharmoniërende, sculpturale superblokken omgeven door wezenloze openbare ruimte. (RB) foto: mtr0212

Zo op het eerste gezicht klinkt dit heel aannemelijk, maar toch is er volgens mij één groot verschil. De naoorlogse sanering in de binnenstad en de negentiende-eeuwse gordel was namelijk niet alleen een operatie waarin disfunctionerende wijken werden aangepakt, maar tevens een ideologisch gedreven poging om definitief af te rekenen met de negentiende-eeuwse stad. De gemeentelijke stedenbouwers wilden Amsterdam herscheppen in een functionalistische, sociaal-democratische modelstad. De burgerlijke en kapitalistische stad van de negentiende eeuw, vol woningbouw die vooral gebouwd was omwille van geldelijk gewin, diende te worden vervangen door een stad met goede volkshuisvesting en waar het welbevinden van de bewoners voorop stond. En wat goed was voor die bewoners, daar hadden Van Eesteren c.s. heel heldere ideeën over: licht, lucht en groene ruimte. Geen woekerende metropool, maar een afgeronde Stad van Morgen. In feite niet eens een stad in de traditionele zin van het woord, maar vooral een plek waar het moderne leven zijn beslag kan krijgen, althans een leven zoals dat er in de ogen van de modernisten uit zou moeten zien. Volgens deze inzichten zijn ook de tuinsteden gebouwd.

Dat de poging om middels stadsvernieuwing met de burgerlijke stad af te rekenen, op een debacle is uitgelopen mag als bekend verondersteld worden. Buurtbewoners wisten volledige kaalslag tegen te houden. Desondanks is er in Amsterdam enorm veel gesloopt in de negentiende-eeuwse wijken. De naoorlogse stadsvernieuwingsgebieden zijn op dit moment de rotte plekken in de vooroorlogse stad. Het is een feit dat ook door Van Rossem wordt erkend. Voor de grootschalige sloop van de negentiende-eeuwse gordel was vaak geen directe aanleiding. En de bewaard gebleven buurten hebben in de afgelopen decennia bewezen niet alleen volledig te kunnen regenereren, maar zelfs een hoofdrol te kunnen spelen in het sociaal-economisch succes van Amsterdam. Het zijn stadsbuurten waar een vitale wijkeconomie zonder al te veel overheidssteun onbekommerd op kan bloeien.
De modernistische stad, met zijn focus op volkshuisvesting, functioneert slecht in de huidige sociaal-economische werkelijkheid. De reden daarvoor is het simpele feit dat de grote aantrekkingskracht van Amsterdam op hoogopgeleide en creatieve werknemers ligt in haar stedelijkheid. Stedelijkheid in de vorm van een levendige en naar Nederlandse maatstaven zeer goed geoutilleerde publieke ruimte. Een stedelijkheid die floreert in voormodernistische stadsmilieus en niet, of veel minder, in modernistische wijken. Voor de stedelijke vernieuwingsoperatie in de modernistische tuinsteden was dan ook alle aanleiding. Deze wijken vormen geen aantrekkelijk leefmilieu, niet voor stedelingen en niet voor burgers op zoek naar ruime woningen in het groen. Ze zijn daardoor een vergaarbak geworden voor mensen die niet de luxe hebben hun eigen woonomgeving uit te kiezen. Door de enorme nadruk op wonen en groene ruimte is er daarnaast nauwelijks gelegenheid voor het ontstaan van een levensvatbare wijkeconomie. Iedereen kent de zieltogende winkelstripjes in Nieuw-West en de door winkelketens gedomineerde wijkwinkelcentra. Bedrijfsgebouwen zijn er nauwelijks, en al helemaal geen kleine bedrijfsruimten waar een ondernemende bewoner zijn nering kan uitoefenen. En als er al iets mogelijk is in een omgebouwde garagebox, is dit door het gebrek aan aanloop in de in overmaat aanwezige openbare ruimte zelden levensvatbaar.

Op 4 februari 2010 boekten monumentenzorgers een klinkende overwinning. De dagelijks besturen in de drie stadsdelen, die straks stadsdeel Nieuw-West gaan vormen ondertekenden een convenant dat de door Van Eesteren concipieerde groenstructuur moet beschermen. Nieuwbouw in Nieuw-West zal in de toekomst geschieden in lijn met de oorspronkelijke functionalistische plannen. Een week later kwam minister Plasterk van OCW het rijksmonument Jeruzalem in de Watergraafsmeer bekijken; een buurtje met tweelaags woninkjes in haken rondom groene hoven gelegen, is voor het nageslacht behouden. Dat er naar dit soort woningen in Amsterdam nauwelijks vraag is en dat geen van de aanwezige hoogwaardigheidsbekleders zelf in een vergelijkbare buurt zou willen wonen, mocht de pret niet drukken.

Het feit dat monumentenzorgers zich al eeuwen inzetten voor het behoud van waardevolle gebouwen en structuren is loffelijk. Maar dat nu volstrekt disfunctionerende stadswijken in stand gehouden worden, alleen vanwege de vermeende kunsthistorische waarde roept de eerste Amsterdamse hoogleraar in de Kunstgeschiedenis, J.A. Alberdingk Thijm , in gedachten: hij schreef in 1855 dat vandalisme slecht is, maar pedanterie nog slechter. En dat geldt in 2010 nog net zozeer.