Opinie —

Wat nou?

Jelk Kruk

De verhalen van Jo Coenen, Wytze Patijn en de jonge architecten op de promosite ‘architectentitel.nl’ zijn herkenbaar voor iedereen die ooit, met een diploma nog nat van de inkt, een eigen bureau oprichtte. Via een kennis op een verjaardagsfeestje van een vriend, of via een toevallige ontmoeting in een kroeg krijg je je eerste opdracht. Maar dan, als je na vele uren schetsen en praten een beeld hebt gecreëerd van hoe het zou moeten worden en je opdrachtgever lijkt dat ook wel wat, komt de grote vraag: HOE moeten we dat nu eigenlijk bouwen?

De jonge Coenen zocht raad bij zijn HBO vriendjes, de jonge Wytze Patijn vond een ervaren architectonische vaderfiguur die hem bijstond. En ze hebben het heel aardig gered. Wellicht was alles minder avontuurlijk geweest als ze de twee jaar beroepservaring hadden gehad die nu met de nieuwe Wet op de ArchitectenTitel als voorwaarde worden gesteld voor het voeren van de titel architect*. De wetswijziging is 9 februari j.l. goedgekeurd door de Tweede Kamer en zal 2 maart hoogstwaarschijnlijk goedgekeurd worden door de Eerste Kamer.

Is deze wet nu goed voor vers afgestudeerden die na de inwerkingtreding van deze wet in 2015 niet meer direct voor zichzelf kunnen beginnen als ‘architect’? Beroepservaring is belangrijk. Er wordt niet voor niets vaak gegrapt dat je pas op je 60e een goede architect bent. En Patijn heeft gelijk als hij zegt dat het “heel belangrijk (is) dat jonge architecten soms ervaren mensen naast zich weten die er lol in hebben om een ander wat te leren.” Maar zal deze wet daar werkelijk aan bijdragen? Ook Coenen klinkt niet helemaal zeker.

De wet op de architectentitel (WAT) is voor het eerst in werking getreden op 1 oktober 1988 en heeft drie doelstellingen: het scheppen van waarborgen voor vakbekwame beroepsuitoefening, het implementeren van Europese richtlijnen en consumentenbescherming. Vanaf 1998 werden architecten bij wet verplicht tot jaarlijks 16 uur relevante bij- en nascholing om de waarde van de architectentitel te versterken. Je moet de inhoud van deze scholing als architect zelf bepalen, je uren bijhouden, controleren en op je offertes vermelden. Op het niet naleven van de regels staat overigens geen enkele sanctie; je wordt niet uitgeschreven uit het architectenregister en mag jezelf dus nog steeds architect noemen. Hiermee is deze plicht een loze regel en dient hij mijns inziens dus per direct te worden afgevoerd. Niet dat na- en bijscholing slecht is, maar een wet zonder sanctie én zonder inhoud heeft geen enkele waarde. Daarnaast houdt iedere architect de ontwikkelingen op zijn vakgebied sowieso al bij door excursies, discussies met vakgenoten, het bezoeken van lezingen en tentoonstellingen, het bestuderen van vakliteratuur en af en toe het volgen van een cursus. Bouwkundigen lijden namelijk aan een ernstige vorm van beroepsdeformatie, die zelfs niet actieve architecten elke ruimte en iedere bijeenkomst doet betreden met een bouwkundige bril.

Wordt met de invoering van de verplichte beroepservaring ook een nieuwe loze regel ingevoerd? In eerste instantie lijkt dit er wel op. Er komen nieuwe regels, maar de exacte invulling daarvan wordt overgelaten aan de SBA (Stichting Bureau Architecten-register) die hiervoor tegelijkertijd verandert van een zelfstandig bestuursorgaan op privaatrechtelijke grondslag naar een op publiekrechtelijke grondslag. De ervaringen die werden opgedaan tijdens ‘het experiment’ – een ambitieus en kleinschalig beroepsprogramma voor jonge architecten dat vooraf ging aan deze wetswijziging – klinken als een waardevolle aanvulling wanneer men een architectenpraktijk wil starten, maar toch…Want welk probleem lossen we met deze verplichte beroepservaring nu precies op? Is er een probleem met betrekking tot vakbekwaamheid? Of anders gesteld, welk gebouw is ooit ingestort door gebrek aan beroepservaring? Welk gedrocht is tot stand gekomen dat met deze verplichte beroepservaring niet zou zijn gerealiseerd? Welke stad functioneert niet omdat een architect of stedenbouwer zonder beroepservaring deze heeft ontworpen?

Dan is er het argument van de consumentenbescherming. Maar een opdrachtgever is niet gek, of hij nu een particulier is of een professional. Er is geen opdrachtgever die niet vraagt naar referenties en eerder werk. Hij weet dat hij bij het inhuren van een relatief onervaren bureau een lager uurloon betaalt, maar ook meer risico loopt dan wanneer hij een ervaren bureau in de arm neemt. De kans is daarom ook klein dat zo’n relatief onervaren bureau meteen een nieuw voetbalstadium mag bouwen of een ander ingewikkeld project. Hij moet zich eerst bewijzen voordat hij met de grote jongens mee mag doen en zal daarom harder lopen, en ook dat weet zo’n opdrachtgever.

Is deze WAT de doodsteek voor het jonge architectenbureau? Vele bureaus zijn al in of net na de collegebanken ontstaan. Mecanoo is natuurlijk een bekend voorbeeld, maar ook Cepezed en Benthem Crouwel hadden geen beroepservaring toen ze hun eigen bureau begonnen. Nog steeds starten mensen met weinig of geen beroepservaring al tijdens hun studie hun bureau.
Toch zal deze wetswijzing  hen niet hoeven tegenhouden.  Het gaat bij de WAT immers om titelbescherming en niet om beroepsbescherming, dit in tegenstelling tot Duitsland en België waar de bescherming van de architectentitel direct gekoppeld is aan voorwaarden die van invloed zijn op het uitoefenen van het beroep, zoals bijvoorbeeld het kunnen afsluiten van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering. In andere landen moet je zelfs architect zijn om überhaupt een bouwaanvraag in te kunnen dienen. In Nederland mag je dus ook met de WAT zonder architectentitel wel het architectenvak uitoefenen. Waarom dan toch deze wet? De tijden zijn veranderd, zo staat er te lezen in ‘WAT – van experiment naar beroepservaringsperiode’ De opgaven en de organisatie van het ontwerpproces zouden complexer zijn geworden. Dat is misschien wel zo, maar toch zijn de eerste opdrachten van een jonge architect vaak bescheiden van aard en heeft hij zo voldoende tijd om toe te groeien naar de grote en complexere opgaven.

Tenlotte kun je nog vraagtekens zetten bij de praktische uitvoering van de wet. Zijn er straks – na de crisis – wel voldoende bureaus om de juiste ervaring mee te geven aan jonge onervaren bijna-architecten? En wat moeten zij op die bureaus dan precies leren? Wat gebeurt er als je halverwege verandert van werkgever? Zit je dan met een pensioenbreukachtige half-af beroepservaringstraject? En verandert er nu werkelijk wat als we deze mensen geen architect noemen? Wat zijn nu eigenlijk de competenties van een architect? Is hij een teamplayer, leider, manager, fiscalist, historicus, tekenaar, constructeur, bestekschrijver, maatschappelijk werker, onderhandelaar, ontwerper of is hij alles? Moet je als architect bouwen, moet je kunnen ondernemen en mag je de taken verdelen met je collega’s of je vennoten? Als je bijvoorbeeld met zijn drieën een bureau begint, waarin de een zich toelegt op het binnenhalen van de opdrachtgever, de ander op het ontwerpen van de indeling en de gevels en de derde de technische uitwerking beter beheerst? Is iedereen dan nog een architect? Ben je de architectentitel niet waardig als je alleen maar voorlopige en definitieve ontwerpen maakt of plannen die nooit of bijna nooit worden gebouwd?
Hoewel ik de waarde van beroepservaring erken als ‘jonge architect’, ben ik nog niet overtuigd van de nut en noodzaak van de WAT. Als ik moet kiezen tussen krachtig gebaar of wassen neus, kies ik voorlopig het laatste.