Nieuws —

Couperusduin: een stad in het klein

Lotte Zaaijer

In de jaren zeventig lieten Hans van Beek en Sjoerd Schamhart met Couperusduin zien wat woningbouw zou moeten zijn: stedelijk, divers en plaatsgebonden. Op uitnodiging van het Haags Architectuur Café hield Hans van Beek een verhaal op locatie over het woningcomplex Couperusduin. Aanleiding vormde het werk van Yona Friedman, te zien op de tentoonstelling Up to you in Stroom Den Haag.

De lezing begon met een dramatisch beeld van de Lindoduin, een flat uit de jaren zestig, met een groot rood kruis erdoor. Lindoduin in Scheveningen was voor Schamhart en van Beek een voorbeeld van wat woningbouw niet moest zijn. Een eindeloze repetitie van dezelfde ‘ideale’ woning binnen één complex, alsof ieder mens hetzelfde is en hetzelfde woonideaal heeft! Voor de bouw van de flat werd een duin geofferd, maar behalve veel woningen kreeg het gebied hier weinig voor terug. Schaal en architectuur hebben helemaal niets te maken met de plek. Met Couperusduin toonden Schamhart en van Beek, beide grondleggers van het Haagse architectenbureau Atelier PRO, wat woningbouw volgens hen wel moet zijn: een woningcomplex dat geworteld is in zijn omgeving, met een stedelijke dichtheid en veel woningdiversiteit. Een stad in het klein, ingebed in de bestaande stad. Couperusduin moest het tegenovergestelde zijn van flats als de Lindoduin.

Het maximale uit de plek halen
Couperusduin ligt in de Archipelbuurt, op een plek die nu grenst aan de duinen maar er een ruime eeuw geleden nog middenin lag. De duinen zijn in de 19de eeuw weg gegraven voor de bouw van de  Alexanderkazerne, dat voor de bouw van Couperusduin is gesloopt.  Met Couperusduin wilden Schamhart en Van Beek het duinlandschap weer terugbrengen. Het S-vormige complex ligt iets verhoogd. De ruime binnentuinen zijn vormgegeven als glooiende duinen en ook rondom het gebouw is een rand van lage duinpartijen aangebracht. Omdat onder de binnentuinen een halfverdiepte inpandige parkeergarage werd gebouwd, mochten de duinen niet te zwaar worden. Van Beek en Schamhart lieten de kern van de duinen daarom volspuiten met licht isolatiemateriaal. Niet alleen de landschappelijke kwaliteiten komen voort uit de locatie zelf, ook een deel van het materiaal komt er vandaan: voor de duinen is afgegraven zand hergebruikt en de lage muurtjes langs de voetpaden bestaan uit klinkers van de gesloopte kazerne.

Hoogstedelijke dichtheid
Een complex met een hoogstedelijke dichtheid, dat was het doel. Gezien hun weerstand tegen flats als Lindoduin vraagt de keuze van Schamhart en Van Beek voor hoogbouw om uitleg. Die keuze kwam voort uit een behoefte aan stedelijk leven, legt Van Beek uit. Tussen 1950 en 1970 werden veel laagbouwwijken in de periferie gebouwd, zoals Den Haag Zuidwest en Zoetermeer. Dit had een massale verhuizing van de stad naar het buitengebied tot gevolg, waardoor de bevolkingsdichtheid in de stad aanzienlijk afnam. Tussen 1970 en 1980 ontstonden protestbewegingen die de stad wilden herstellen. Van Beek was hierin actief en ook Schamhart ondersteunde de beweging. Beiden waren ervan overtuigd dat een hoge woningdichtheid het stedelijk leven in de stad bevordert, met kans op een gemêleerde groep inwoners en meer draagvlak voor voorzieningen. In Couperusduin zijn 289 woningen op 1,4 hectare gerealiseerd, maar hoewel de dichtheid hoger is dan in de Amsterdamse Pijp voelt het beslist minder opeengepakt. Door de ruime binnentuinen is voldoende afstand gecreëerd tussen de woningen in de zes tot negen lagen hoge bebouwing. Daarnaast liggen de binnentuinen in het verlengde van open ruimten in de omgeving (een straat en een begraafplaats), waardoor de ruimtelijkheid wordt vergroot.

Woningdiversiteit: voor elk wat wils
In plaats van een eindeloze repetitie streefden Schamhart en Van Beek naar woningdiversiteit. In het complex zijn zes woningtypen opgenomen, overwegend variaties op een driekamerwoning. Alle woningen zijn ontworpen binnen een beuk van 5,40 meter. De eerste woning die we tijdens de rondleiding bezochten was één beuk breed en twintig meter lang, uitgestrekt over de gehele breedte van het gebouw, met zicht op beide binnentuinen. De ‘standaard’ woning was even groot, maar lag aan één zijde van de corridor en was twee beuken breed. We slingerden verder door de brede corridors en galerijen naar de volgende woning. Deze zogenaamde ‘goudkustwoning’, met 148 m2 woonoppervlakte één van de villa’s binnen het complex, had een riante woonkamer aan een ronde gevel met daaraan een balkon. Tot slot was een bewoner van een splitlevel woning bereid om de grote groep (veertig man) bezoekers binnen te laten. Woonkamer en keuken waren op het niveau van de entree gepositioneerd, met een klein hoogteverschil ertussen. Beneden lagen twee kleinere kamers. Het zicht vanaf de balkons benadrukte nog eens de woningdiversiteit in Couperusduin. De gevel is een compositie van galerijen, trappenhuizen over twee of vier lagen, vlakke gevels met raamopeningen, grote en kleine balkons.

Relatie met het werk van Friedman
Hoe verhoudt dit aardse complex zich tot het werk van Yona Friedman, de aanleiding voor deze lezing op locatie? La Ville Spatiale van Friedman doet denken aan Constants New Babylon: enorme flexibele structuren zijn opgetild boven het maaiveld, daarbinnen hebben bewoners de vrijheid om de eigen woning zelf vorm te geven. Couperusduin heeft daar eigenlijk helemaal niets mee te maken, was de nuchtere constatering van Van Beek. Het grote verschil is dat Friedman uit is op een generieke architectuur die zich niet verankerd op de plek, terwijl Van Beek en Schamhart juist een specifieke architectuur en het karakter van de plek centraal stelden. Toch leek die conclusie iets te snel getrokken. Zowel in La Ville Spatiale als in Couperusduin wordt erkend dat ieder huishouden anders in elkaar zit. In beide projecten  wordt gezocht naar een maatpak voor iedere gebruiker. Van Beek en Schamhart kozen daarbij voor diversiteit, zodat elk type huishouden binnen Couperusduin een woning kan vinden. Bij Friedman krijgt iedere bewoner de vrijheid om zijn woning aan te passen: wanden kunnen net zo eenvoudig verplaatst worden als meubilair. De architect heeft de taak om een structuur aan te bieden die flexibel ruimtegebruik technisch mogelijk maakt. De plannen van Friedman blijven echter utopische ideeën, terwijl het succes van Couperusduin  in de praktijk  is bewezen. Met betrekking tot de verdichtingsopgave in steden kan dit woningbouwcomplex dan ook zeker als inspirerend voorbeeld dienen.