Feature —

Nieuw Cultuurforum aan Spuiplein

Robert-Jan de Kort

Een toren, een dansend gebouw of een strakke doos, wat komt er aan het Haagse Spuiplein te staan? Zestien bureaus maakten een ontwerp voor een nieuw Muziek- en Danscentrum dat een problematische plek moet revitaliseren en Den Haag internationaal op de kaart moet zetten als cultuurstad.

Sinds afgelopen dinsdag staan de zestien ontwerpen voor het nieuwe Haagse Muziek- en Danscentrum tentoongesteld in het Atrium van het stadhuis van Den Haag. Middels kleine maquettes en flitsende presentatiepanelen presenteren de ontwerpen zich aan de burgers van de stad die in 2018 culturele hoofdstad van Europa wil zijn.

Het nieuwe gebouw dat aan het Spuiplein zal verrijzen zal zowel het danstheater, het residentieorkest, als het conservatorium huisvesten. Samen met een transformatie van het gebied van Spuiplein tot Rabbijn Maarsenplein vormt het nieuwe Cultuurforum het hoogtepunt van de inspanningen die Den Haag doet om zichzelf als cultuurstad te promoten.
Het gebouw komt te staan op een van oudsher problematische plek in de Haagse binnenstad en zal het sluitstuk vormen dan een grootscheepse transformatie van het gebied. Het Danstheater, naar ontwerp van OMA, zal plaatsmaken voor de nieuwbouw die het desolate Spuiplein nieuw leven in moet blazen.
Op 17 november 2009 presenteerde het college van B&W de definitieve envelop voor het gebouw. Het college gaat uit van een compacte vijftig meter hoge bouwenvelop met een hoogteaccent aan de Schedeldoekshaven. De envelop strekt zich uit langs de contouren van het huidige Danstheater en de Anton Philipszaal.

De shortlist van de prestigieuze architectenbureaus die geselecteerd werden voor deelname aan de Europese aanbesteding kenmerkt het ambitieniveau van de gemeente. OMA, Zaha Hadid, Diller Scofidio Renfro, UN Studio en Benthem Crouwel, het is een kleine greep uit de lijst. De verwachtingen omtrent de ontwerpen waren dan ook hooggespannen.

Een eerste analyse leert dat bijna alle bureaus zich beperken tot een compacte envelop zonder hoogteaccent. De plannen vallen binnen het door OMA gemaakte masterplan voor het zogenoemde ‘Cult Core’; het culturele hart van de stad dat loopt van het Spuiplein tot het Rabbijn Maarsenplein. Latent is de geest van OMA, toevallig of niet, aanwezig in veel van de ontwerpen. Door de oogharen kijkend vallen er combinaties waar te nemen van de Jussieu bibliotheek en de Très Grande Bibliothèque (Diller Scofidio Renfro + SO-IL), een vierkante Casa da Musica (Wiel Arets) en een expressievere UNIVERSAL Headquarters (Architectuurstudio HH, Rapp+Rapp en IBOS-VITART). Betreft dit een geheime lofzang of duidt het op een gebrek aan inspiratie bij de bureaus?

Grote vraag was waar OMA zelf mee zou komen. Het bureau van Rem Koolhaas is immers al sinds eind jaren zeventig betrokken is bij de transformatie van de Haagse binnenstad en heeft de meeste binding met de locatie. OMA houdt zich net als de meeste andere bureaus vrij braaf aan de compacte envelop, maar komt wel met een opmerkelijke vondst. Waar veel andere ontwerpen zich vooral richten op het Spuiplein en de publieke ruimte aan de  pleinzijde verticaal doorzetten in hun ontwerpen, introduceert OMA een tweede plein in het gebouw. Midden in het gebouw spaarde het bureau een groot volume uit dat als podium dient en de drie gebruikers van het gebouw verbindt. Dit plein, het City Stage, is bedoeld voor collectieve activiteiten van de professionals en de studenten die het gebouw gebruiken. Hierdoor ontstaat een gebouw met een openheid naar alle zijden van het kavel. De begane grond richt zich expliciet op de stedenbouwkundige functie van het gebouw, namelijk het verbijzonderen van de looproute vanaf het centraal station naar de binnenstad en het ontsluiten van het publieke deel van het programma. De twee auditoria, de grootste publiektrekkers van het gebouw bevinden zich op de begane grond, daarvan is één naar alle zijden te openen. Het ontwerp van OMA lijkt zich van alle voorstellen het meest bewust van de problematiek van de plek en biedt een interessante oplossingsrichting die zich niet beperkt tot het toevoegen van een iconisch gebouw aan het Spuiplein.

Het enige ontwerp dat opzichtig de grenzen van de envelop opzoekt is van Mecanoo. Het bureau van Francine Houben stelt voor om op een laag basement een honderd meter hoge vierkante toren te bouwen die volgens het bureau wederom de historische functie van een toren vervult: het duiden van een belangrijke publieke ruimte in de stad. De consequentie van deze keuze is dat het gebouw een solitair karakter heeft, waar de compactere varianten zich meer schikken in het ensemble van gebouwen rondom het Spuiplein. Om de expressie van de toren als op zichzelf staand icoon te versterken is voor het gemak in de presentatie van Mecanoo het hotel van Carel Weeber, dat behouden dient te blijven, weggelaten.

Architectuurstudio HH, samen met Rapp+Rapp en IBOS-VITART, speelt als enige in op het collagekarakter van de plek door dit karakter expliciet te versterken. Aan het ensemble van stadhuis, het hotel van Weeber en de Nieuwe Kerk voegt het team drie torentjes toe die in verschijning sterk van elkaar verschillen, maar onderling verbonden zijn door een strakke structuur van luchtbruggen. Elke toren huisvest een van de drie gebruikers van het Muziek- en Danscentrum. Als enige betrekt het ontwerp expliciet de trappen van het hotel van Weeber bij de ruimtelijke opzet van het gebouw en activeert het een reeds aanwezig element. De open structuur van de drie torentjes zorgt er tevens voor dat de openbare ruimte van het Spuiplein zacht overloopt in het gebouw.
Eén ontwerp vertaalt de functie regelrecht in architectuur. Zaha Hadid ontwierp een zwierige monoliet die als het ware dansend aan het Spuiplein staat.    

De selectiecommissie onder leiding van Herman Tjeenk Willink zal op 7 mei drie ontwerpen selecteren die verder uitgewerkt gaan worden. Het is uiteindelijk zeer de vraag welke factor zwaarder gaat wegen; de stedenbouwkundige of de architectonische. In de stedenbouwkundig opzicht moet het gebouw in staat zijn alle zijden van het kavel te verbeteren en in meer of mindere mate te activeren. Aan de andere kant weegt het architectonische beeld zwaar mee. De manier waarop de ontwerpen gepresenteerd zijn – met een geïsoleerde maquette van alleen het gebouw – onderstreept dit. Het gebouw wordt toch het culturele visitekaartje waarmee Den Haag de titel 'Culturele Hoofdstad van Europa' wil binnenhalen.