Recensie —

Stadscentrum van Rotterdam is decor van een mythe

Marieke Berkers

Kim Bouvy vertelt in de fotonovelle Phantom City het verhaal van iemand die door een stad loopt waaraan al het leven onttrokken is. Er is iets gebeurd met de stad, wat precies wordt niet duidelijk. De protagonist spreekt over ‘een stad die enkel nog op te roepen is in de herinnering, te zien (is) op deze paar foto’s die ik nog heb weten mee te nemen.’ De foto’s tonen in grijstinten het Rotterdamse stadscentrum.

Er is iets geks aan de hand met Bouvy's novelle. De afgedrukte foto’s sluiten naadloos aan bij de sfeer die in de tekst wordt opgeroepen, er is in beide gevallen sprake van een verlaten, mistige stad, maar in de tekst wordt gesuggereerd dat de foto’s tonen hoe de stad was voordat alles veranderde; voordat ze transformeerde tot fantoomstad.
Phantom City brengt me als lezer in verwarring. Na lezing borrelde eenzelfde soort vragen op als na het zien van een film van David Lynch. In welke werkelijkheid bevind ik me? In het verleden, de toekomst of het nu? En aan wat voor soort van tijd is de gepresenteerde wereld onderhevig? Deze verwarring wordt nog eens verhevigd door de wetenschap dat de locatie die Bouvy fotografeerde zeventig jaar geleden in een twintig minuten durend oorlogsbombardement transformeerde tot fantoomstad en sindsdien enkel door middel van foto’s in de herinnering teruggehaald kan worden. Bouvy brengt de lezer in een denkraam dat Escherachtige trekjes vertoont.

En alsof dat niet genoeg is weet Bouvy bovendien vervreemding op te wekken door ons foto’s te tonen van een Rotterdam dat tegelijkertijd wel en niet bestaat. Onmiskenbaar worden de kubuswoningen van Piet Blom, de vele bankgerelateerde gebouwen aan de Blaak, het Witte Huis en andere bekende plekken van Rotterdam in beeld gebracht. De selectie beelden die Bouvy de lezer voorlegt roept echter een beeld op van Rotterdam dat je nooit zal aantreffen wanneer je er rond loopt. De foto’s zijn genomen vanuit donkere portalen, vanaf verlaten wegen of braak liggende percelen en brengen een harde stad in beeld die bestaat uit beton, baksteen, grindtegels, betonsteen en asfalt. Nergens krijgen we een kijkje in het interieur van een gebouw. Ook zien we bijna geen mensen; kinderen zijn in het geheel uit beeld gelaten. De getoonde stad vormt een doods decor dat tot leven komt door de tekst die Bouvy naast de beelden plaatst.

Bouvy toont ons een geconstrueerde werkelijkheid. Ze ensceneert niet, maar laat bewust bepaalde dingen niet zien, zoals kleur of kinderen. Op deze manier vormt ze een eigen mythe van het stadscentrum van Rotterdam. Doordenkend op de mythe die Bouvy stapje voor stapje, doch volgens een grillig patroon uitvouwt, krijg je het onaangename gevoel dat Rotterdam een organisme is dat met het steen van haar nieuwe stadscentrum een doods hart in de maag gesplitst kreeg. Hoe verder je vordert in het boek, hoe meer je de beelden bekijkt vanuit de mythe. Niet bestaande herinneringen die door de tekst schijnbaar worden opgeroepen zorgen ervoor dat de foto’s in een ander daglicht geplaatst worden. Een foto aan het einde van het boek met de titel construction toont dichtgevouwen parasols die op een rijtje voor een nog niet opgeleverd gebouw liggen. Maar de parasols doen inmiddels denken aan in lakens gerolde lijken.

Wanneer ik het boek nog eens doorblader vallen vooral de vele details die de foto’s in het boek rijk zijn. Ze prikkelden de verbeelding nog eens extra. Scheefstaande lantaarnpalen, een groot hart met een pijl er doorheen, een vrouw die ferm met haar armen over elkaar heen in een halfdonkere parkeergarage staat, of de vele pijlen die op gebouwen geschilderd en geplakt zijn en dienen om de stadsbewoners de weg te wijzen. ‘Room for the happy view’ staat er geschreven op een reclamedoek dat aan een appartementgebouw in aanbouw is bevestigd. De details verwijzen naar hetgeen amper getoond wordt op de foto’s: vrolijkheid en bewoners. De dichtregel van Lucebert die op een gebouw in de buurt van Station Blaak boven de stad uit prijkt geeft een goede samenvatting ‘Alles van waarde is weerloos’.

Het is daarbij jammer dat Bouvy veelvuldig in de tekst vage verwijzingen gebruikt zoals ‘iets’, ‘het’, ‘het Ons’, ‘een onzichtbaar niets’ en ‘daar waar de anderen’, waar ze vervolgens bewust geen invulling aan geeft. Deze woorden lijken een schimmige sfeer op te roepen die past bij de schimmigheid die de foto’s oproepen. Maar het verschil is dat de beelden van de stad tot de verbeelding spreken, maar de vele vage verwijzingen de verbeelding juist een beetje doodslaan. Phantom City wordt daardoor wat zwaar op de hand.

Had ze de tekst dan beter weggelaten? Nee, want de tekst van het boek zette me juist telkens op het verkeerde been. Bouvy creëert haar fantoomstad door met behulp van een verhaal via haar foto’s dat te laten zien wat er niet is.