Recensie —

Bedaux ontdekken

Loes Veldpaus

Ter ere van de honderdste geboortedag van Jos. Bedaux (1910 -1989) is op initiatief van de zoons en kleinzoons, die zijn architectenbureau voortzetten, een tentoonstelling over zijn werk samengesteld. De tentoonstelling bevindt zich in een van de meest sprekende ontwerpen van Bedaux, het Hoofdgebouw van de Universiteit van Tilburg uit 1962.

Wat die tentoonstelling spannend maakt is eigenlijk precies dat wat je niet ziet. Het gebouw is namelijk voor de gelegenheid ontdaan van alle rommelige losse objecten als tafeltjes, stoelen en kapstokken, waardoor vooral de entreeruimte in een oogopslag haar ruimtelijke kwaliteiten toont. De meerwaarde van de keuze voor dit gebouw als context voor de tentoonstelling wordt hierdoor bewust versterkt. Zo is niet alleen een tentoonstelling over het werk van Bedaux ontstaan maar ook de ultieme tentoonstelling van zijn werk. Deze ingreep ontgaat vanzelfsprekend de eenmalige bezoeker van het gebouw, maar laat de reguliere gebruiker het verschil ervaren. In die zin heeft de ingreep misschien, hopelijk, invloed op toekomstige invulling – of beter de afwezigheid van die invulling – van de ruimte. Een ontvangsthal die zich niet enkel voor het getrainde oog ontwaart als bijzondere ruimte, maar voor iedereen die er naar wil kijken.

Het gebouw heeft een monumentale gesloten natuurstenen gevel en staat, met zijn omvang van bijna 90×90 meter en hoogte van 11 meter, in het parkachtige groen van de uitlopers van de Warande. Een onderdoorgang biedt toegang tot de binnentuin. Hier wordt, ter inleiding, een overzicht van de grote verscheidenheid aan ontwerpen die Jos. Bedaux maakte, tentoongesteld. Hieruit blijkt niet alleen de omvang van zijn oeuvre maar ook de variatie in uiterlijke vorm. Zijn inspiratie vond hij net zo goed bij Kropholler en Schmitthenner als bij Le Corbusier en Aalto.

Bij de hoofdingang, aan de overzijde van de binnentuin, ontvouwt zich het gehele gebouw. De straffe monumentaliteit van de buitengevel maakt binnen plaats voor openheid en (academische) ontmoeting. Over de drie verdiepingen zijn twee buitenhoven, een grote en een aantal kleinere zalen asymmetrisch ten opzichte van elkaar gepositioneerd. Zo ontstaat in de schijnbare restruimte de publieke route, als een claustrum (een kloosterrondgang). Om gebouw en tentoonstelling optimaal te kunnen ervaren zijn de delen van de tentoonstelling op verschillende plaatsen in het gebouw ‘verstopt’. Zo worden steeds stukjes informatie gepresenteerd in de context van en in relatie tot de daadwerkelijke architectuur.

Bedaux was actief tijdens het interbellum en na de oorlog in de wederopbouwperiode, en genoot vooral regionaal bekendheid. Hij was geen architect die een revolutie predikte, vakmanschap en ruimtelijke kwaliteit stonden bij hem centraal. Dat maakt het lastig hem in een hokje te stoppen. Voor het gebouw van de Universiteit van Tilburg combineerde hij een modernistische uistraling die doet denken aan Le Corbusiers La Tourette, met een aandacht voor materialisering en detail die we kennen uit de traditionele hoek. De gekozen ontwerpelementen verwijzen naar de architectuur als handwerk, als vakmanschap. Bijvoorbeeld  het gebruik van baksteen en natuursteen in plaats van beton. Maar ook de her en der voorkomende afwijkende schuine lijn in de wand- en vloertegels, de ritmisch maar asymmetrisch tegenover elkaar geplaatste raampartijen en de rastertekening in de vloerdelen die los staat van de plaatsing van muur of deur- of raamopening.

Het werk van Bedaux bevindt zich ergens op de grens van traditionalisme en modernisme, een gebied waar lastig grip op te krijgen is. Is het sober traditionalisme of toch eigenzinnig modernisme? Wie zal het zeggen, en waarom zou je het eigenlijk willen benoemen. De tentoonstelling probeert dit in ieder geval niet. We krijgen expliciet geen ‘lesje Bedaux’, vertelde samenstellers Arjen Oosterman en Anneke Abhelakh tijdens de opening op 18 april jongstleden. Het gaat er bij deze tentoonstelling volgens hem om de informatie tot je te nemen, Bedaux te ontdekken en in een eigen referentiekader plaatsen. Er wordt bewust geen architectuurhistorisch beeld geschetst waarin hij gepositioneerd wordt ten opzichte van andere ontwerpers uit zijn tijd.

Toch zou dat een interessante (vervolg) stap kunnen zijn, in het licht van de huidige discussie over het traditionalisme als ‘ondergeschoven kindje’, de relatie tussen modernisme en traditionalisme en de betekenis daarvan voor de architectuur(geschiedenis). De tentoonstelling laat duidelijk zien dat er bij Bedaux geen scherpe lijn te trekken is tussen beiden. Hebben we in het verleden van de architectuurhistorie niet vooral de nadruk gelegd op figuren die zich expliciet uitspraken voor of tegen een vorm of stijl en elkaar? Lange tijd leek het modernisme – naast een klein beetje traditionalisme van Granpré Molière – de enige architectuurstroming uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Inmiddels komt er steeds meer aandacht voor en kennis over het werk van architecten en stedenbouwkundigen die andere paden bewandelde, zoals – om er een paar te noemen – P. Verhagen, G.H.M. Holt, Evers en J. Klijnen.

Bij het zien van het werk van Bedaux, een architect die geen eenduidig oeuvre nalaat, kunnen we ons afvragen of traditionalisme en modernisme niet vaak onterecht tegenover elkaar worden gesteld, terwijl ze net zo goed complementair werkten en in elkaars verlengde lagen.