Feature —

De nieuwe Vlaams Bouwmeester

Gideon Boie

Peter Swinnen, medeoprichter van het Brusselse architectenkantoor 51N4E, zal vanaf 1 juli 2010 optreden als Vlaams Bouwmeester. Hij geeft zichzelf drie maanden tijd om een beleidsnota neer te leggen. In afwachting hiervan spreek ik hem over zijn nieuwe functie.

Peter Swinnen - foto Martin Hogeboom
Peter Swinnen – foto Martin Hogeboom

De aanstelling van Peter Swinnen (1972) is verrassend gezien zijn jonge leeftijd – waarmee hij wel voldeed aan de minimale vereiste jaren praktijkervaring. Het profiel van de nieuwe Vlaams Bouwmeester beantwoordt niettemin aan de roep in architectenkringen naar een ‘man uit het veld’. De algemene perceptie was dat de huidige Vlaams Bouwmeester Marcel Smets als wetenschapper, in tegenstelling tot diens voorganger bOb van Reeth, minder aanvoelde wat op de werkvloer speelt. Peter Swinnen maakt duidelijk dat hier een verkeerde verwachting speelt: “de Vlaams Bouwmeester is geen belangenverdediger van de architect, maar adviseur van de overheid.” Hij staat de Vlaamse (en lagere) overheden ter zijde in hun zoektocht naar architecturale en ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving.

Opvallend is dat ook de Vlaamse overheid zelf vragende partij was om een praktiserend architect aan te stellen als bouwmeester. Dat is nieuw. Peter Swinnen zal het ambt van Vlaams Bouwmeester combineren met zijn activiteiten als partner-architect binnen 51N4E. De Vlaamse overheid weet als geen ander dat het beroep op architecten loont, benadrukt Swinnen. Interessante architecten moeten niet overtuigd worden om architecturale kwaliteit te leveren. Halszaak is het aanbrengen van de urgentie van architecturale kwaliteit bij bevoegde ministers en betrokken investeerders en ontwikkelaars. Deze urgentie wordt volgens Swinnen zelfs van levensbelang in de bouwprogramma’s voor zorg en welzijn.

Uit eigen praktijkervaring weet Swinnen hoe de partijen “te bezwangeren met architecturale kwaliteit”. Het is in de eerste plaats cruciaal dat de overheid als opdrachtgever “de juiste vraag stelt”. Swinnen ziet hierin de fundamentele opdracht voor een bouwmeester: “Het stellen van de juiste vraag biedt meer garantie bij het komen tot een correct programma en het verkrijgen van een juist antwoord.”

Maar ook het overtuigen van investeerders en ontwikkelaars is een uitdaging. De Vlaams Bouwmeester kwam meer dan eens buitenspel te staan binnen publiek-private samenwerkingen die de Vlaamse overheid onderneemt, zoals recent nog in het dossier van de Oosterweelverbinding en deels ook in Scholen van Morgen. Peter Swinnen is realistisch: “Investeerders blijven investeerders, zij hebben een andere core business en PPS is een nieuwe markt waar winst te halen valt.” Peter Swinnen gelooft in de werking van extra incentives: “Architecturale kwaliteit kan afdwingbaar worden als marktpartners er iets voor terug krijgen. Vandaag wordt architecturale kwaliteit amper gehonoreerd en dat moet veranderen: kwalitatieve architectuur moet beloond worden.”

Een andere uitdaging is het versnipperde werkveld van de Vlaams Bouwmeester. Sowieso beperkt de federale staatsstructuur van België de speelruimte van de Vlaams Bouwmeester tot regionale bevoegdheden zoals o.a. ruimtelijke ordening, verkeer, stedenbeleid, welzijn en onderwijs. Zijn impact op bouwprogramma’s van federale ministeries, zoals justitie of grote stedenbeleid, ligt hierdoor gevoeliger – ook bij gebrek aan een Belgisch Bouwmeester.

Maar Vlaanderen heeft ook zelf geen architectuurbeleid en de Vlaams Bouwmeester is geen Minister van Architectuur. De architecturale en ruimtelijke kwaliteit van Vlaanderen ligt verspreid over verschillende ministeriële portefeuilles en de Vlaams Bouwmeester is ambtenaar binnen het Ministerie van Bestuurszaken. Peter Swinnen ziet hierin echter een kans om “in navolging van Marcel Smets architecturale aandachtspunten te integreren in beleidsnota’s van relevante ministeries.” Hij voegt hieraan toe: “de Vlaams Bouwmeester is slechts een adviseur die anderen ertoe moet aanzetten bepaalde beslissingen te nemen.” Het blijft opmerkelijk dat binnen de recente Architectuurnota 2009-2014 – een unicum in Vlaanderen – geen engagement te ontwaren is van betrokken ministeries.

Het meest centrale en ook succesvolle instrument van de Vlaams Bouwmeester is de Open Oproep. Hiermee ondersteunt de Bouwmeester overheidsinstellingen door te adviseren bij de projectdefinitie en de architectenkeuze. De procedure bestaat uit de selectie van een vijftal vooraf aangemelde kandidaat-architecten die zich kunnen presenteren aan de opdrachtgever. Hoewel het hier om een heel lichte procedure gaat, begrijpt Swinnen dat de Open Oproep de facto een ontwerpwedstrijd geworden is door het aangewakkerde enthousiasme en mercantilisme onder architecten. Een ontwerpwedstrijd die bovendien beoordeeld wordt door opdrachtgevers, geen professionele jury.

Als Vlaams Bouwmeester wil Peter Swinnen de Open Oproep terug naar de oorsprong brengen. De Open Oproep moet weer een architectenkeuze worden op basis van een voorstelling van team en ontwerp. Het moet ook weer jonge architectenbureaus kansen geven om de portfolio uit te breiden en presentatie-ervaring op te doen. En ook de projectdefinitie moet meer overwogen worden om zo de concurrentie tussen de architecten transparanter te maken.

Een ander euvel in de Open Oproep is het gebrek aan opvolging van het ontwerp- en bouwproces. De Vlaams Bouwmeester trekt zich na de architectenkeuze terug en legt de verantwoordelijkheid bij de opdrachtgever en architect. Swinnen blijft deze werking trouw vanuit principieel – geloof in goed opdrachtgeverschap – en praktisch oogpunt – ontwerpopvolging vergt veel energie van zijn team. Wel begrijpt hij dat de architect vaak alleen staat en het belang van de opdrachtgever in architecturale kwaliteit zo ernstige schade dreigt op te lopen. Een mogelijke piste ziet Swinnen in het stimuleren van opdrachtgevers om een professioneel begeleidingsteam onder de arm te nemen, zoals gebeurt bij complexe bouwopdrachten. Private advieskantoren spelen hier reeds een rol, maar hij wil overwegen hoe ook de Vlaamse overheid haar verantwoordelijkheid kan nemen.

Deze bezorgdheden komen duidelijk voort uit de ervaring van Peter Swinnen als architect met de werking van de Vlaams Bouwmeester, en de erkenning van zijn bijdrage in de groei van 51N4E. Swinnen is dan ook enthousiast over de mogelijkheid om de werking van de Vlaams Bouwmeester, wat hij omschrijft als een transparant instrument om te komen tot architecturale kwaliteit in Vlaanderen, verder scherp te stellen. De functie van Vlaams Bouwmeester biedt hem ook mogelijkheden om hangende architecturale problemen op te pikken, zoals de rol van de architect in PPS – wat in principe een bevoegdheid is van de Orde van Architecten, maar nu een juridisch vacuüm blijkt. De inzet blijft dezelfde: de urgentie van architecturale kwaliteit voor Vlaanderen duidelijk maken en de evidente dienstbaarheid van architecten hiertoe verder aanspreken.