Recensie —

Robert van ‘t Hoff – onvrijwillig cynisme. De tragiek van een wereldverbeteraar

Astrid Aarsen

Deze zomer is in het Kröller-Müller Museum de tentoonstelling Alles of Niets over het leven en het werk van ‘ex-architect’ Robert van ‘t Hoff te zien. De aanleiding voor de tentoonstelling is de verwerving van een compleet interieur van een studieruimte die hij omstreeks 1960 voor zichzelf heeft ontworpen. Deze ruimte, en de tentoongestelde tekeningen, attributen en foto’s van Van ‘t Hoffs in omvang bescheiden oeuvre zijn een bezoek zeker waard en tonen zijn aandachtig vakmanschap. Toch stond zijn leven vooral in het teken van datgene waartoe architectuur niet in staat bleek.

Robert van ’t Hoff (1887-1979) werd in Rotterdam geboren en volgde zijn architectuuropleiding in Engeland. Eerst aan de School of Art in Birmingham waar hij beïnvloed raakt door de ideeënvorming van de Arts-en Craftsbeweging. Later geeft hij zijn studie nog een driejarig vervolg aan de Architectural Association in London, waar hij vanaf 1911 woonde. Hij sloot zich aan bij De Stijl. In De Stijl herkende hij het verlangen naar vernieuwing en een nieuwe wereld. Hij werkte onder andere samen met Theo van Doesburg en Gerrit Rietveld, en werd uiteindelijk het meest bekend met een villa die hij voor de Amsterdamse zakenman A. B. Henny bouwde in Huis ter Heide, nadat hij door de Verenigde Staten had gereisd en kennismaakte met Frank Lloyd Wright en zijn denkbeelden.

De zorgvuldig ingerichte en oogstrelend vormgegeven overzichttentoonstelling van Robert van t Hoff in het Kröller-Müller Museum Alles of niets herinnert aan de recente overzichtstentoonstelling in De Pont in Tilburg van de Franse kunstenares Sophie Calle. Niet vanwege de treffende overeenkomsten tussen Calle en Van ’t Hoff, maar vanwege de tegenstelling in uitersten in de bepalende relatie tussen hun persoonlijke leven en hun werk. Calle gebruikt haar eigen leven als belangrijkste inspiratiebron en letterlijk als materiaal voor haar werk: “Ik omarm het geluk. Het verdriet baat ik uit”. Een vaarwelbrief van haar geliefde werd succesvol onderwerp van haar laatste tentoonstelling. Ze filmde de dood van haar moeder nieuwsgierig naar de laatste woorden, de laatste tekenen, de laatste zucht. Haar vindingrijkheid zit in het doorgronden van de alledaagse gebeurtenissen in haar persoonlijke leven. Hiermee weet ze het verpletterende gewone tot iets bijzonders te verheffen. Of de reacties nu positief of negatief zijn, ze maakt iets los. Zet de beschouwer via haar werk in beweging.

Alles of niets daarentegen laat zien dat Robert van ‘t Hoff zijn persoonlijke leven niet zozeer leefde, maar waar mogelijk volgens zijn (vaak utopische) ideaalbeelden probeerde vorm te geven. In het streven naar een betere samenleving is het werkelijke, alledaagse leven grotendeels aan Van ‘t Hoff voorbij gegaan. In zijn werk toonde hij zich vooral een gepassioneerde ambachtsman met een sterk ontwikkelde kritische houding. Hij verlangde naar iets dat hij bouwend niet kon realiseren: een betere samenleving. Zijn idealen zijn terug te vinden in het manifest Abolition (1926), dat in het Nederlands vertaald als bijlage is opgenomen in het boek Robert van ’t Hoff. Architect van een nieuwe samenleving, dat bij de opening van de tentoonstelling is verschenen. Maar Van ‘t Hoff vond geen gehoor. Zwaar teleurgesteld benoemde hij zichzelf vervolgens tot ex-architect en keerde zich af van zijn eigen vak en van het publieke leven.

Hij lijkt zijn verdere leven vooral lijdend en strijdend te hebben doorgebracht. Dat op zichzelf getuigt van een sterke geest en doorzettingsvermogen, maar ten gunste van wat en wie? In zijn huis in New Milton (Zuid Engeland) waar hij vanaf 1937 woonde, trok hij zich graag terug in de door hem zelf ontworpen studiekamer. Dit privédomein, dat nu voor het eerst voor publiek is opengesteld en het middelpunt vormt van de tentoonstelling, herinnert aan het basisinterieur van een caravan, compact met optimale benutting van de beschikbare ruimte. Deze ruimte is de architectonische vorm die Van ‘t Hoff koos voor zijn teruggetrokken leven. Waarom legt iemand zichzelf op zo sober mogelijk te leven, terwijl hij een villa tot zijn beschikking heeft? Om zich de luxe te permitteren om als kluizenaar en volledig van die luxe verschoont, via geschriften de wereld te doorgronden, zoals auteur Evert van Straaten schetst?

Ondanks dit latere teruggetrokken leven was hij destijds als bevlogen architect en actief lid van De Stijl de vakwereld wel opgevallen. Villa Henny is vaak door tijdsgenoten en later in standaardwerken over architectuurontwikkeling als voorbeeld en referentie gebruikt vanwege een vroege toepassing van betonskeletbouw voor particuliere woningbouw en de introductie van het gedachtegoed van Frank Lloyd Wright die hij in 1914 ontmoette. Ook voor Wright bleef hij niet onopgemerkt, zo is af te leiden uit een in het boek opgenomen brief van Frank Lloyd Wright aan Berlage “Ik herinner me een jonge man Van ‘t Hoff, die vervuld was van een hoog doel, toen ik hem hier een 7 of 8 jaar geleden ontmoette en ik neem aan dat hij enkele goede dingen heeft gemaakt.”

Had Van ‘t Hoff zichzelf als architect destijds een onmogelijke opgave gesteld? Kan de architect een rol van betekenis hebben voor onze samenleving, en zo ja, welke? Het is een door de tijd heen terugkerende vraag, die vooral in tijden van (economische) crisis actueel wordt. Ook nu staat de vraag weer centraal, onder meer in het manifest Architectuur als Noodzaak van NAi-directeur Ole Bouman. Hij ziet het vak architectuur als potentieel om de samenleving anders in te richten. Maar is de architectuur daartoe in staat? Kan aan architectuur die betekenis worden toegekend? En kunnen architecten dit waarmaken? Volgens het ‘reddingsplan’ van het NAi vormen architecten het visionair vermogen van onze samenleving en moeten we het synthetisch karakter van de architectuur inzetten om de samenleving een stap verder te brengen. Maar ligt de waarde van het werk van de architect nu juist niet in de realisatie? Hoe krachtig en bewonderenswaardig sommige radicale oplossingen en ideeën ook zijn – al was het maar al om een spanningsveld bloot te leggen of bewustzijn te verdiepen – zonder die realisatie veranderen idealen al snel in illusies. En dat is wat de overzichttentoonstelling van Van ‘t Hoff en het boek pijnlijk blootleggen. Het mooiste zou zijn geweest wanneer Van ‘t Hoff met villa Henny alles had kunnen zeggen, wat hij destijds had willen zeggen. Misschien is dat tegelijkertijd ook wel de tragiek van Robert van ’t Hoff. Zijn inzet was het verbeteren van de samenleving, maar zijn vak, de architectuur, bleek onttoereikend. Hij trok zich terug. Alsof hij de balans niet kon vinden tussen middel en doel, tussen ideaal en realisatie: ‘Alles of niets’.

Van ‘t Hoff had volledige aandacht voor de maatschappij en de medemens, maar zonder daarvan deel uit te (kunnen) maken. Door zich af te keren van geld en goed plaatste hij zichzelf uiteindelijk buiten de maatschappij. Een onvrijwillig cynisch levensverhaal.