Opinie —

Verstoring van de openbare orde

Herman van Bergeijk

Verstoring van de openbare orde, wat is dat toch een heerlijke zaak. Een schaap over de dam… en de chaos is compleet. Elke autoriteit kan er de legitimatie van zijn eigen doen en laten in vinden en iedere burger kan zich achter een generaal rappel à l’ordre verschuilen. Als architecten ook onder dit decreet zouden vallen, hoeveel zouden er dan een kleine of grote (taak)straf hebben gekregen?

Skyline Amsterdam gezien vanaf het Centraal Station (bron: Zuidas Vision 2009)
Skyline Amsterdam gezien vanaf het Centraal Station (bron: Zuidas Vision 2009)

Want laten we wel wezen, er zijn weinig beroepen die zich zo hebben toegelegd op het verstoren van de openbare orde in naam van wat dan ook. Bijna elke wolkenkrabber – alleen het woord doet me al lachen – in Rotterdam is in feite een verstoring van de openbare orde. Of, beter gezegd, is het laten voortbestaan van een verstoring van de openbare orde. Geen enkele toren past zich aan zijn omgeving aan. Geen civitas, geen grid-denken. Alle bouwwerken zijn individuele statements die reeds in de ontwerpfase een mate van lachwekkendheid laten zien die kan worden opgevat als een gevaarlijke verstoring van de openbare orde. Of van de public domain zoals dat thans heet.

In Nederland is het begrip orde allang van tafel geveegd. Wanorde is een betere noemer voor veel van wat in dit land gebeurt. Op zich niets vreemds aan. Al in de zeventiende eeuw – de eeuw van de VOC zou Balkenende zeggen – was het duidelijk dat de jonge Republiek in de strijd om haar bestaan wanorde tot een levensader had gemaakt. Verstoring gericht tegen de bestaande orde – de Spaanse koning en de Roomse Paus – was aan de orde van de dag, ook al zullen we tegelijkertijd luidkeels blijven zingen dat we de Spaanse koning altijd hebben geëerd. Politiek, wie gelooft er nog iets van?

Trouwens, orde? Welke orde? De klassieke orde met alle schaalniveaus werd in de lage Nederlanden al snel overboord gegooid. De drie-eenheid Venustas, Firmitas en Utilitas waren loze kreten, die aan de bouwkunst nauwelijks nog enige verband konden geven. Axiale symmetrie en monumentaliteit worden nog steeds vervloekt wegens hun schijnbaar dominant karakter. De architectuur werd en wordt getekend door een enorme wanorde, behalve in de buitenwijken waar een strakke discipline steeds met bijzondere creativiteit dezelfde eentonigheid weet te bereiken. Wanorde werd daar one-order. Een buitenwijk in Delfzijl of Vaals of Terneuzen: gelijke monniken onder gelijke kappen. In de verscheidenheid ligt een waanzinnige eenheid.

Achter alle acroniemen die de bouwwereld bevolken is niet meer duidelijk wie de orde verstoort. Vroeger werden misdadigers met de afkorting van hun naam aangeduid. Tegenwoordig niet meer: het zijn de architectenbureaus die onze steden vol mogen bouwen. Sinds Koolhaas moet het wel eenduidig zijn: Nederland is pas echt delirious en architecten zijn geïnteresseerd in size en quantity. Alles in het Engels want alleen dan worden we serieus genomen op de internationale markt.

De regels zijn sinds lange tijd niet meer duidelijk. Niet dat Vitruvius ooit werd gelezen; hij werd bekeken en uitgelegd. Kennis wordt thans gezien als een dodelijke zaak en moet worden vervangen door vaardigheden. Wat die vaardigheden moeten zijn staat niet of nauwelijks ter discussie. Maar wie maakt dat nu eigenlijk uit? De bestuurders in Den Haag, de onderwijsdeskundigen, of de markt? Het feit dat de collegezalen van Delft en de onderzoekslaboratoria van het Berlage Instituut vol met Chinezen zitten, moet toch een teken aan de wand zijn.

Om de reddeloze zaak nog enigszins te redden wordt om respect gevraagd. Een loos gebaar en een woord dat nog stamt uit de tijd dat het postmoderne naar voren werd geschoven als oplossing voor een gebrek aan afleesbare orde. Alles werd buiten proporties geblazen. De ironie van die hulpeloze pogingen van woordkunstenaars als Robert Venturi en Charles Jencks doet nu, na zoveel jaar, alleen maar armetierig aan. Hoewel, als ik het boek De Nieuwe Traditie lees dan moet ik ook daar het ziekelijke van erkennen. Welke traditie, wanneer niet de traditie om elke traditie op de schop te nemen? En laten we wel wezen: de meeste in dat boek afgebeelde architectuur is werkelijk een verstoring van de orde, van elke orde behalve de gedachteorde dat wanorde ook orde kan zijn. Is dit een verlaat aanknopen bij de Nieuwe Orde van Wijdeveld? Daarvoor ontbreekt toch de nodige fantasie. Hoewel, op die wijze wist Berlage, en niet alleen hij, zijn publiek er honderd jaar geleden al van te overtuigen dat lelijkheid een schoonheid van een hogere orde kon zijn. Subliem – en hoeveel architecten denken niet subliem te wezen?

Een schreeuwend gebouw en eenieder blijft zwijgen. Een schreeuwer onder het hedendaagse publiek en de paniek slaat toe. Gelukkig staan de ordetroepen klaar in deze dagen van grote nood (en scheppen soms nog meer chaos) en kunnen we ons beroepen op onze superieure moraliteit. In dat opzicht zijn we nog steeds een absolute wereldmacht! Maar die orde waar we vanuit lijken te gaan, of misschien naar terugverlangen, is in werkelijkheid sinds eeuwen verdwenen. En die nervositeit waar architecten zo ijverig aan bijdragen door de stad vol te zetten met schreeuwende, lege tekens? Niets nieuws onder de zon. In 1902 theoretiseerde Willy Helpach al over ‘Nervosität und Kultur’. Maar het schijnt dat wij hier nu pas overtuigd raken van de verbanden tussen cultuur, orde en de psychologische gedragingen van de massa. In Nederland gebeurt alles vijftig jaar later dan in Duitsland, schreef Heinrich Heine al – ook wij zijn inmiddels modern.