Opinie —

Wat maakt de negentiende-eeuwse gordel van Amsterdam zo succesvol?

Errik Buursink

Niet dankzij, maar ondanks de stadsvernieuwing doen veel voormalige volkswijken van Amsterdam het nu zo goed. Dit voorjaar verscheen bij uitgeverij Boom het boek Amsterdam op de helling. De strijd om stadsvernieuwing, geschreven door politicoloog Herman de Liagre Böhl. Hij legt het accent op de stadspolitiek en het burgerverzet, maar de centrale these draait om de fysieke opgave – en precies daar slaat hij de plank mis.

Ongeschonden gebleven deel van de Kinkerstraat. Schilderachtige architectuur, fijnmazige functiemenging, programmatisch zeer flexibele plint, omgeven door schaarse, maar levendige openbare ruimte: het succes van de 19e-eeuwse gordel in een notendop. (EB)
Ongeschonden gebleven deel van de Kinkerstraat. Schilderachtige architectuur, fijnmazige functiemenging, programmatisch zeer flexibele plint, omgeven door schaarse, maar levendige openbare ruimte: het succes van de 19e-eeuwse gordel in een notendop. (EB)

Dat is jammer, want De Liagre Böhls goed gedocumenteerde beschrijving van het stadsvernieuwingsproces in Amsterdam tussen 1960 en 1990 vult een lacune in de kennis over de ruimtelijke ontwikkeling van de stad. Gezien het feit dat de stadsvernieuwing een hoofdrol heeft gespeeld in de naoorlogse stadsontwikkeling van Amsterdam, wekt het verbazing dat niet eerder wetenschappelijk onderzoek is gedaan naar achtergronden en uitwerking van deze operatie. Echter, de gedachte dat grootscheepse door de overheid geïnitieerde renovaties en vernieuwing door sloopnieuwbouw de oude volkswijken van Amsterdam van de ondergang hebben behoed en dat wethouder Jan Schaeffer daarmee tot redder van de stad dient te worden gebombardeerd, berust op een gebrek aan kennis over de sociaal-economische opleving van de hoofdstad.

Hoewel wijken als de Staatsliedenbuurt, Kinkerbuurt en De Pijp sinds de jaren tachtig inderdaad een welhaast miraculeuze wederopstanding laten zien, heeft de stadsvernieuwing daar eerder op negatieve dan positieve wijze aan bijgedragen. De Liagre Böhl is beslist niet de enige die het recente succes van de negentiende-eeuwse gordel als stedelijk woonwerk- en recreatiemilieu moeilijk weet te plaatsen. In ons land en zeker in Amsterdam wordt het discours over stedelijke kwaliteit nog altijd sterk bepaald door een volkshuisvestingsideologie waarvan de basis in 150 jaar oude tuinstadprofetieën gezocht moet worden. De deugdelijkheid van buurten wordt aldus bepaald op basis van de bouwkundige kwaliteit van de woningen, het woonoppervlakte, de aanwezigheid van groen en speelgelegenheid. Uitgaande van deze factoren is de populariteit van de dichtbebouwde negentiende-eeuwse wijken niet te verklaren.

De negentiende-eeuwse wijken zijn dan ook om geheel andere redenen in trek. De belangrijkste is het feit dat ze door hun ruimtelijke structuur in staat zijn om een rijk stedelijk leven te faciliteren. Dichtbebouwd en -bevolkt bieden ze een goed voorzieningenniveau en fijnmazig gemengde stadsstraten waar het een komen en gaan van buurtbewoners en passanten uit andere stadswijken is. Daarnaast is de architectuur van de oude etagewoningen een gezocht decor voor stedelijk wonen geworden. Niet voor niets: ieder revolutiebouwpand is immers een grachtenhuis in het diepst van zijn gedachten. Het is echter een misvatting om te denken dat stedelijk leven alleen een kwestie van levensstijl is. De keuze voor een woon- en werkplek in een centrumstedelijk milieu is in toenemende mate gebaseerd op economische noodzaak. In Amsterdam werkt bijna de helft van de bevolking in de (creatieve) kenniseconomie. Het is intussen genoegzaam bekend dat deze economie, met zijn noodzaak aan interactie tussen kenniswerkers, zeer sterk de neiging heeft zich te concentreren in stedelijke milieus.

Dankzij de overloop vanuit de binnenstad en hun traditoneel-stedelijke structuur profiteren de negentiende-eeuwse buurten in Amsterdam van de opkomst van deze stedelijk georiënteerde economie en van de toevloed van hoger opgeleiden die daar verband mee houdt. De gevolgen zijn op straat goed zichtbaar: een zich snel diversifiërend, kwalitatief hoogwaardig voorzieningenniveau, door particulieren en kleine ontwikkelaars uitgevoerde renovaties van het negentiende-eeuwse woningbestand en een intensief gebruik van de openbare ruimte als interactiemilieu. Daarnaast is er een toenemende concentratie van kleinschalige creatieve en/of kennisintensieve bedrijvigheid in de negentiende-eeuwse gordel. Verder heeft de steeds sterkere oriëntatie van hoger opgeleide stedelingen op arbeid en voorzieningen in de oude stadsdelen geleid tot een spectaculaire afname van het autogebruik ten faveure van het fietsgebruik. In het kort: de negentiende-eeuwse wijken transformeren tot centraalstedelijke woonwerkmilieus, precies zoals vanaf de jaren zestig al in de Jordaan te zien was. Het belang van centrumstedelijke woonwerkmilieus voor het hedendaagse sociaal-economische succes van Amsterdam kan nauwelijks onderschat worden. De duizenden talentvolle jongeren die jaarlijks vanuit de provinciale universiteitssteden naar de stad verhuizen worden juist hierdoor aangetrokken. Net als de tienduizenden hoogopgeleide expats overigens.

De stadsvernieuwingsoperatie werd ingegeven door een sterk ideologisch gemotiveerde en achteraf volstrekt verkeerde inschatting van de sociaal-economische ontwikkeling van Amsterdam. Deze ging uit van de gedachte dat de stad hoofdzakelijk onderdak zou blijven bieden aan gezinnen uit de lagere middenklasse enerzijds en weinig bemiddelde een- en tweepersoonshuishoudens anderzijds. Voor deze groepen dienden voldoende goede sociale huurwoningen aanwezig te zijn, alsmede groen ter ontspanning en de nodig speelruimte. Tot 1990 werd er in Amsterdam uitsluitend voor deze groepen gebouwd, terwijl al in de jaren zeventig een duidelijke opmars van hoger opgeleide jongeren zichtbaar was in bijvoorbeeld de Kinkerbuurt en de Dapperbuurt. In de Kinkerbuurt en Dapperbuurt waren het ook niet voor niets hoger opgeleide jongeren die het verzet tegen grootschalige sloop leidden. Alle acties en een uiteindelijk meer kleinschalig stadsvernieuwingsproces ten spijt zijn grote stukken van deze wijken onder het mom van bouwvalligheid en slechte woonkwaliteit plat gegooid om plaats te maken voor nieuwbouw in de sociale sector. Juist die stukken waar volkshuisvesters nieuwbouw pleegden kennen nu een relatief beperkte economisch dynamiek en de vierkante meterprijzen voor woningen zijn er aanzienlijk lager dan in omliggende straten en buurten die niet gereconstrueerd zijn.

Gaan we op zoek naar de oorzaken van de achterblijvende ontwikkeling van bijvoorbeeld de Oostelijke Eilanden, de zuidelijke Kinkerbuurt en de zuidelijke Indische Buurt, dan zijn deze snel aan te wijzen. Ondanks het handhaven van het oorspronkelijke stratenplan zijn er in de jaren zeventig en tachtig monofunctionele woonwijkjes gebouwd, opgetrokken in schrale volkshuisvestingsarchitectuur en bestaande uit louter corporatiebezit. Hier komt de voor de hedendaagse stedeling en stadseconomie zo belangrijke levendigheid aanzienlijk minder snel tot ontwikkeling dan in de buurten die behouden zijn gebleven. De stadsvernieuwing heeft de aanwezige potentie van een van onderop georganiseerde regeneratie van deze wijken de nek om gedraaid en de ontwikkeling tot centrumstedelijk woonwerkmilieu geheel onmogelijk gemaakt of in ieder geval aanzienlijk bemoeilijkt.

Vierkante meterprijzen en het aantal bedrijfsvestigingen zijn objectieve maatstaven om de sociaal-economische dynamiek in buurten te bepalen. De Liagr Böhl mag natuurlijk de subjectieve stelling poneren dat het jammer is dat de ‘eentonige en langdradige huizenrijen uit de tijd van de revolutiebouw’ niet op meer plekken plaats hebben gemaakt voor ‘vrolijke, gevarieerde en kleinschalige nieuwbouw’. Uit het oogpunt van de ontwikkeling van Amsterdam tot sociaal evenwichtige en economisch succesvolle stad is het echter objectief aantoonbaar dat we onze handjes mogen dichtknijpen dat niet nog meer negentiende-eeuwse gevelwanden onder de slopershamer zijn gevallen.
Om af te sluiten met de bekende uitspraak van Jan Schaeffer zelf: ‘in geouwehoer kan je niet wonen’. Ongetwijfeld, maar in doodse volkshuisvestingsblokken wil men dat niet.