Recensie —

Beter dan Avatar

Robert-Jan de Kort

“What challenges will we face now that Green is over…?” is de laatste zin van het boek Green Dream van The Why Factory. Het boek heft hiermee zijn eigen onderwerp op, maar stelt dat alvorens deze vraag gesteld kan worden, er wel een ‘nieuwe’ groene attitude en inspanning nodig is.

Boeken over duurzaamheid zijn hot. Elk metier, van biologie tot architectuur, doet een duit in het zakje als het gaat om het bieden van nieuwe inzichten, innovaties en liefst concrete oplossingen voor de onduurzame manier waarop de mensheid de aarde verminkt. Mede daarom is het onderwerp totaal vertroebeld. The Why Factory, de onderzoekscel van de TU Delft onder leiding van Winy Maas (MVRDV), nam daarom de handschoen op om een stap terug te doen en vanuit een ‘nieuw’ perspectief naar het groene vraagstuk te kijken. Donderdag 20 mei presenteerde Maas de publicatie in het NAi.

Het boek is voor bijna driekwart beschouwend, 22 observaties belichten het groene vraagstuk. Sommige observaties handelen over voor de hand liggende problematiek (The Complexity of Green is Paralyzing en Materials are Depleting), andere over misvattingen (Eco-Cities are too Small en There is more than One Green Crisis). In het laatste kwart van het boek wordt getoond welke duiten The Why Factory zelf in het zakje doet. Eén ervan is de ontwikkeling van de Green City Calculator; een instrument dat de groenheid van steden meetbaar en vergelijkbaar maakt. Maas duidde het instrument als het ‘Esperanto’ van de duurzaamheidstools. Door eerst te stellen dat er ontelbaar veel van dergelijke instrumenten bestaan en er vervolgens zelf nog een aan toe te voegen getuigt of van tomeloos geloof in eigen gelijk, of van naïeve ambitie. Het feit dat deze alomvattende tool samen met commerciële partners (ARUP, DGMR) ontwikkeld wordt, is daarnaast op zijn minst discutabel.  
Tot slot toonde Maas nog negen scenario’s die een stad écht groen maken. Hij stelt dat elk scenario een wereld beoogt die fijner is dan de wereld in de animatiefilm Avatar. Met de scenario’s kunnen we eindelijk zeggen “We’ve done it” en komen we terecht in een post-groen tijdperk. Na de boekpresentatie gaven de architecten André Kempe, Duzan Doepel en Nanne de Ru een statement over het groene vraagstuk, waarna ze met elkaar in discussie gingen.

Doepel en Kempe legden beide expliciet een link tussen duurzaamheid en hun afkomst. Doepel groeide op in Zuid-Afrika en lichtte toe dat een ontwikkelingsland andere issues heeft dan het westen. Duurzaamheid is vanuit Afrikaans perspectief een luxeprobleem. Doepel heeft het onderwerp pas leren kennen sinds hij in Nederland woont en werkt. Kempe stelde dat zijn opvoeding in Oost-Duitsland draaide om zuinigheid en bescheidenheid; belangrijke eigenschappen voor duurzaam gedrag volgens hem. De Ru, geboren en getogen in het rijke en hedonistische westen, sprak over comfort, genot en schoonheid.  

Alle drie de architecten stelden dat de invloed van architectuur an sich bij het creëren van een meer duurzame wereld gering is. Doepel stelde dat er wereldwijd slechts één procent meer gebouwen bijkomen. De grootste inspanning dient derhalve verricht te worden bij het aanpassen en revitaliseren van bestaande bebouwing. Een duurzame ingreep is slechts mogelijk als meerdere gebouwen of liefst stadsdelen aan elkaar verbonden worden. Doepel kwam tot deze conclusie tijdens een studie waarin hij probeerde duurzame methoden te ontwikkelen op de schaal van een kleine woonwijk. Doepel ontdekte dat dit een te geringe schaal was voor een substantiële winst ten aanzien van het verbeteren van de duurzaamheid van een wijk.
Kempe voegde hier aan toe dat duurzaamheid voor een belangrijk deel een mediahype is. Terwijl er overal over het onderwerp nagedacht wordt, staat in de Verenigde Staten de bouw van tweehonderd nieuwe kolencentrales gepland. Enkel omdat de centrales vooralsnog de goedkoopste energie opwekken. Voor Kempe is dit één van de redenen om zich enkel te richten op zijn vak: het maken van gebouwen. Die gebouwen moeten vervolgens zo goed mogelijk worden gemaakt. De aspecten waar je als architect mee te maken hebt zijn meer dan tweeduizend jaar geleden door Vitruvius vastgelegd: utilitas, firmitas en venustas. Kempe spoorde de zaal aan om niet te letten op mediatrends, beheerst te werk te gaan en de maximale kwaliteit uit het budget te persen.

De Ru hield ook vast aan het architectonische object en de constatering dat een goed architect een goed gebouw moet ontwerpen en bouwen. Vanuit deze redenering eindigt dit dan in een comfortabel en luxe gebouw. Context speelt hierbij een belangrijke rol. Een gebouw dat het maximale uit de context haalt benut automatisch de natuurlijke aspecten van de plek. De Ru had twee treffende voorbeelden uit eigen werk: een hoogbouwhotel met een gevel die afhankelijk van de oriëntatie een meer open of gesloten gevel heeft en een villa op Cyprus die door middel van een zwaar vegetatiedak de ruimtes voldoende koelt en daarom geen installaties nodig heeft. De Ru benadrukte dat het maken van een groen dak nooit een uitgangspunt was, maar slechts een middel om een mooi en comfortabel huis te maken.

spread uit het boek
spread uit het boek

Na de korte presentaties gaf Maas toe verrast te zijn door de terughoudendheid die de architecten ten aanzien van het onderwerp van het boek toonden. Tijdens de aansluitende discussie lukte het Maas niet de architecten mee te voeren naar hogere schaalniveaus. Hierbij was het Kempe die het grootste anker uitgooide. Hij gelooft simpelweg niet in het thema duurzaamheid als apart onderdeel van architectuur. Het tegengaan van de uitputting van fossiele brandstoffen vereist een ethiek waarin de wereld niet langer draait om groei. De Ru stelde hier tegenover dat expansie en groei wel degelijk hand in hand met duurzaamheid kunnen gaan. Het aanwenden van alternatieve energiebronnen lost elke beperking op. De Ru: “Met een zonneboiler op het dak kun je de hele dag warm douchen”. Maas voegde hieraan toe dat de mensheid te nieuwsgierig is om de door Kempe voorgestelde pas op de plaats te maken.

De discussie legde haarfijn het contrast tussen analyseren en ingrijpen bloot. Dit contrast is ook in het boek waar te nemen. Green Dream slaagt veel beter in het eerste. Waar de analyse helder en gestructureerd is, daar worden de scenario’s als konijnen uit de hoge hoed getoverd. Het idee van een groene utopie met als doel een post-utopia waarin de mensheid zijn hedonistische lusten weer op de aarde kan botvieren is weliswaar prikkelend, maar alle voorstellen gaan uit van het op grote schaal doorvoeren van een enkele ingreep die alle problemen oplost. Een typische architectenreflex die in de geschiedenis meerdere malen is opgedoken. Het heilige geloof in maakbaarheid is ook Maas niet vreemd. De subtitel How Future Cities Can Outsmart Nature benadrukt deze bravoure nog eens. Hier loopt het boek, dat eerst treffend een broodnodige stap terug neemt en het groene vraagstuk nuchter beschouwt, in tweede instantie alsnog uit de rails.