Opinie —

Intellectueel ramptoerisme

Edwin Gardner

Architecten zijn lid van een volksstam die veel reist. Vaak niet om te bouwen maar om te zien, te leren en zich te verwonderen over andere culturen, hun steden, architectuur en landschap. Lang geleden waren de ruïnes van Rome de reisbestemming van dit professionele toerisme, nu zijn het die van Detroit.

Deelnemers aan de internationale conferentie African Perspectives, met als thema het Afrikaanse stadscentrum. De conferentie vond plaats in Pretoria.
Deelnemers aan de internationale conferentie African Perspectives, met als thema het Afrikaanse stadscentrum. De conferentie vond plaats in Pretoria.

Fanatiek met een fototoestel in de weer, vastleggend hoe allerlei culturen tot onwaarschijnlijke ruimtelijke oplossingen komen voor alledaagse problemen. Eindelijk oog in oog staan met Japanse meesterwerken die je tot dan toe alleen nog uit de boeken kende. Carel Weeber heeft het destijds voor elkaar gekregen dat bouwkundestudenten in Delft een budget kregen voor studiereizen. Want ja, de lucht- en ruimtevaart faculteit heeft een windtunnel, scheikunde een lab, natuurkunde een kernreactor en bouwkunde heeft nu eenmaal een planeet vol gebouwen, precedenten waarvan de volle waarde niet te schatten is door louter de vakliteratuur te raadplegen. Allemaal steekhoudende argumenten. Ook ik reisde veel en heb daar veel van geleerd.

Naast observaties zal menigeen met mij ook hebben deelgenomen aan de nodige workshop, research- of ontwerpstudio's op een exotische locatie, waarbij de voorkeur uitgaat naar het onbekende en het spectaculaire. De hyperurbaniteit van Tokyo, het door de geschiedenis verknipte Berlijn, het desolate en krimpende Detroit, de verkruimelende plattenbau-wijken van Tbilisi en het sektarisch gefragmenteerde Beiroet. Ik heb m'n ogen uit gekeken en m’n mond is vele malen opengevallen, maar het laatste jaar bekruipt mij ook een ander gevoel. Het is iets wat ik intellectueel ramptoerisme zou willen noemen. Ik voel mij licht ongemakkelijk op dit soort plekken, het voelt alsof ik deelneem in een soort leedvermaak. Ik ga niet rollend van het lachen over straat, het leedvermaak bestaat meer in de vorm van geestelijke zinnenprikkeling. Je brein wordt geconfronteerd met iets onwaarschijnlijks en moet uit z'n subroutines komen om er chocolade van te maken. Je moet je geestelijke comfortzone verlaten omdat in je intellectuele gereedschapskist niet de juiste tools zitten  om de confrontatie met deze realiteit aan te gaan. En dat vindt het intellect prettig, het zijn deze uitdagingen waarvan hij opleeft. Want een onbegrepen situatie vraagt om duiding, uitleg, conceptualisering. Maar al dit intellectueel vertier gaat ten koste van een plek, de mensen en het leven dat zich daar afspeelt. Daar heb je uiteindelijk geen echte betrokkenheid mee; het raakt je niet in je eigen alledaagse leven, het blijft op een comfortabele afstand. En daarin zit een dimensie van leedvermaak.

Maar goed, ramptoerisme en leedvermaak zijn beide diep menselijk en van alle tijden – je hier wat ongemakkelijk over voelen evenzeer. Wat me echter vooral dwarszit zijn de voorwendselen waarmee je daar bent. Zoals eerder gezegd, het bezoek heeft een 'professioneel' karakter, het is geen vakantie maar een workshop, een ontwerpstudio, de locatie is startpunt voor het genereren van nieuwe ideeën. De voorwendselen bestaan op z'n best uit bescheiden goede bedoelingen en op z'n slechts uit een sessie megalomaan probleemoplossen, met als uitgangspunt het aandragen van dé oplossingen voor een plek waar je net in bent geparachuteerd. In een soort perverse omdraaiing ontvangt het rijke westen intellectuele ontwikkelingshulp, de tweede en derde wereld voorzien het schijnbaar uitontwikkelde, probleemloze Europa van uitdagende cases voor onderwijs en onderzoek. De jonge academici raken nauwelijks nog opgewonden of geprikkeld van problemen binnen de eigen landsgrenzen, het moet spectaculairder, exotischer en extremer. Hoewel deze plekken door hun 'andersheid' uitdagingen bieden aan menig ontwerper (aldan niet in opleiding), is er geen committent. De meeste ontwerpstudio's gaan geen langdurige relatie aan met een plek, vormen niet of nauwelijks structurele samenwerkingsverbanden met lokale gemeenten, projectontwikkelaars, culturele- of onderwijsinstellingen. Niet dat ze dat niet zouden willen, het heeft eerder te maken met de ongelofelijke hoeveelheid energie en tijd die je in dat soort samenwerkingsverbanden moet steken om ze productief te maken. Dat die partijen niet om de hoek zitten, maar in een andere culturele, sociale en economische context opereren, maakt het extra complex. Dit is een niveau van betrokkenheid die de tijdspanne van menig workshop, onderzoek en/of ontwerpstudio ver te boven gaat. Dit soort inspanningen vergt meerdere jaren van betrokkenheid.

Misschien is het in Nederland allemaal wat minder spectaculair, maar het grote voordeel is dat het committent hier juist wel productiever kan zijn. Ook is het makkelijker om langdurige relaties aan te gaan met instellingen en de sociaal-economische context is bekend. Daarnaast zijn er genoeg interessante vraagstukken die een flinke dosis betrokkenheid van een ontwerp- of onderzoekstudio goed kunnen gebruiken. Bijvoorbeeld de krimpende steden van Zeeland en Limburg, maar ook sociale woningbouw, dat als serieus thema is verdampt terwijl woningbouwcorporaties er steeds slechter in slagen interessante woningen te realiseren voor de onderkant van de samenleving. Intellectuele uitdagingen genoeg voor ontwerpers, om uit hun comfort-zone te komen en hun disciplinaire kaders te ondervragen.

In de masterstudio’s van Delft zou veel actiever naar samenwerkingsverbanden gezocht moeten worden met partijen uit de samenleving. Een universiteit is niet alleen een opleiding, maar ook een onderzoeksinstituut dat een verantwoordelijkheid heeft om een volgende generatie ontwerpers sensibel te maken voor de eigen samenleving en haar ruimtelijke problemen. In de jaren ’60 brak er niet voor niets een revolutie uit op de faculteit bouwkunde. Er was namelijk zo’n groot schisma ontstaan tussen wat er binnen de faculteitsmuren gebeurde en daarbuiten. Binnen bestond de opgave uit een huisje op de hei voor een gepensioneerde zeekapitein, terwijl buiten in Delft Zuid de galerijflats vijftien hoog uit de grond schoten.

Vandaag is de lucht niet zwanger van een revolutie, integendeel, we worden in slaap gewiegd in ons schijnbaar probleemloze paradijs en zoeken het avontuur elders.