Feature —

Shanghai World Expo 2010 – de Europese Paviljoens

Bert de Muynck

Op 1 mei 2010 opende in Sjanghai de 41ste wereldtentoonstelling. Onder de noemer van ‘Better City, Better Life’, presenteren 190 landen zich gedurende 184 dagen van hun beste culturele, architecturale, zakelijke en innovatieve kant aan een verwacht publiek van 70 miljoen bezoekers. Bert de Muynck scant enkele Europese paviljoens en doet verslag.

Zoals wel vaker in China is het belangrijkste criterium van de wereldtentoonstelling dat het de grootste, beste, drukst bezochtste en/of spectaculairste aller tijden behoort te zijn. De Sjanghai-expo vormt daarop geen uitzondering, maar het blijft de vraag of die megadoelstellingen ook gehaald zullen worden. Neem bijvoorbeeld het bezoekersaantal: bij de aanvang van de expo werd dat op 70 miljoen geraamd, waarvan 5 procent voor rekening van de buitenlandse bezoekers. Dit betekent grofweg 400 000 duizend bezoeker per dag. Een maand na de opening echter stond de teller op 8 miljoen, oftewel plus minus 250 000 bezoeker per dag. Niet min. Maar dit betekent, dat als op 31 oktober de deuren van de expo weer sluiten, het waarschijnlijker is dat ongeveer 48 miljoen mensen de tentoonstelling bezochten. Wat toch het dubbele is van het aantal bezoekers aan de 2005 wereldtentoonstelling in Aichi (Japan). Niet dat het expoterrein er verlaten bijligt, integendeel, de wachttijden voor het Chinese, Franse, Britse, Japanse of Saoedi-Arabische paviljoen schommelen rond de drie uur.

De expo strekt zich uit over een gebied van 5,28 vierkante kilometers langs weerzijden van de Haungpu Rivier. Aan de zijde van Pudong, 2,38 vierkante kilometer, liggen voornamelijk de landenpaviljoen, aan de Puxi-zijde, 0,9 vierkante kilometer, de bedrijven- en best urban practices-paviljoens. Tussen beide rivieroevers zijn er veerpontjes en busverbindingen.

Het is natuurlijk onbegonnen werk om een kritisch overzicht te geven van de architectuur van de verschillende paviljoens. Maar een wereldtentoonstelling, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een architectuurbiënnale, is wel het uitgelezen moment om het schaamteloos te hebben over de buitenkant. Want eerlijk is eerlijk, voor het interieur en op de duurzame borst kloppende nationale tentoonstellingen binnen hoef je – als architect weliswaar – niet noodzakelijk naar de expo. Alhoewel, zoals steeds zijn er uitzonderingen. In een volgend stuk geef ik een best of the rest, hier eerst een Europese selectie.

Er zijn verschillende criteria waaraan een paviljoen moet voldoen wil het een goede indruk maken op de bezoekers, prioriteit nummer één lijkt me het gemak van de circulatie. Met het hoge bezoekersaantal in gedachten zijn er twee vormelijke categorieën duidelijk onderscheidbaar; de doos en de lus. In het eerste wachten de bezoekers aan de buitenkant van het paviljoen, onwetend van wat er hen binnenin te wachten staat, in het tweede geval wordt het wachten en aanschuiven een onderdeel van de bezoekerservaring van het paviljoen. In het eerste geval worden buiten- en binnenkant van het paviljoen, indien mogelijk, zorgvuldig van elkaar losgekoppeld, in het tweede geval versterken die elkaar. Voorbeelden van die laatste zijn het Nederlandse van John Körmeling, het Zwitserse van Buchner Bründler Architects, paviljoens die beide schijnbaar geen binnenkant hebben, en het Deense paviljoen van architect BIG, waar buiten- en binnenkant met elkaar samenvallen. Deze paviljoens geven de bezoekers ook de kans om ze respectievelijk te voet, per kabellift of per fiets te bezoeken. Niet toevallig zijn ze vormgegeven als een lus, mobius of 8-figuur. Die laatste is in China een geluksgetal, denk aan de opening van de Olympische Spelen in Peking op 8 augustus 2008.

Daarnaast zijn er de dozen van het type dat je normaal gezien alleen op bedrijventerreinen verwacht. Emblematisch in deze categorie zijn het Belgische paviljoen van CONIX Architects, het Portuguese van architect Carlos Couto, dat van Monaco door Naço Architectures, het Servische door Natalija Miodragovic en Darko Kovacev. 1100 vierkante meter zonnepanelen (België), kurk (Portugal – aangeleverd door de sponsor, Amorim, Portugals grootste kurkbedrijf) of energie efficiënte LED gevel (Monaco en Servië) leuken en kleuren de dozen op.

En dan zijn er de andere vormen; de Roemeense Appel (SC M&C Strategy Development), de Britse Zaad Kathedraal (Heatherwick Studio), de Spaanse Rieten Mand (Benedetta Tagliabue), of de Finse Ketel (JKMM Architects). Deze vertegenwoordigen, respectievelijk de kracht van expliciete, innovatieve, overtollige en poëtisch vormelijke architectuur. Andere paviljoenen moeten het enkel van hun naam hebben zoals Balancity (Duitsland), The Sensual City (Frankrijk), of The Living City (Griekenland).

De architectuur van de wereldtentoonstelling is per definitie doorlooparchitectuur. Structuren waar je enkel bij stopt voor een fotomomentje, niet om een of ander detail te inspecteren. Op zijn best is het tijdelijke en innoverende architectuur, met de A van 'aha mooi zo' of 'aha snel wegwezen'. De Europese zone van de wereldtentoonstelling wordt duidelijk druk bezocht en alhoewel de paviljoens hun uiterste best doen om niet met elkaar te communiceren en de aandacht op zichzelf te vestigen – een ander basisprincipe van de moderne wereldtentoonstelling – is het niet moeilijk om in de diversiteit een eenheid te zien. Een mini-Europa voor de massa dus.