Feature —

Van tussentijd naar ontwikkelend beheer

Iris Schutten

Door de recessie bevindt een groeiend deel van het stedelijke landschap zich in een ‘staat van tussentijd’. Een ruimte in verval, een niets in afwachting van iets, al dan niet dichtgetimmerd of omheind. Langzamerhand realiseert men zich in Nederland dat het eindbeeld binnen de stedelijke ontwikkeling niet langer centraal kan staan. Gaandeweg verschuift de aandacht zich naar ‘de weg naar het streefbeeld toe’, naar het ondertussen. Het thema ‘Tussentijd’ dringt zich op, het is tijd voor nieuwe stedenbouwkundige strategieën.

In de afgelopen eeuw zijn talloze ideeën over stad en stedenbouw de revue gepasseerd. De visies achter het Nieuwe Bouwen, de Wederopbouw, het bouwen voor de buurt en de Netwerkstad hebben gaandeweg ons stedelijk landschap gekleurd. Wat al deze stromingen gemeen hebben is dat er steeds een eindbeeld centraal stond. De huidige tijd vraagt echter om een omslag in deze manier van denken. De context van de Nederlandse stedenbouw is de laatste decennia immers behoorlijk veranderd. Van stadsuitbreiding in spreekwoordelijke ‘lege weilanden’ rondom de stad is het accent verschoven naar binnenstedelijke ontwikkeling waarbij wordt ingegrepen in bestaand stedelijk weefsel. De gebouwde omgeving is niet langer alleen het doel, maar ook het startpunt van ontwikkelingen geworden.

Mede daardoor komt de tussentijd, als onmiskenbare schakel tussen start en voltooiing van de transformatie, om de hoek kijken. In de plan- en bouwperiode kan immers veel misgaan of veranderen: financiers trekken zich terug, huizen verkopen niet of behoeftes manifesteren zich pas gaandeweg. Dan ontstaat ergens middenin het bestaand stedelijk weefsel ineens tussentijd, een onbestemde periode zonder plan, zonder  bestemming, zonder duidelijkheid… Er wordt op twee manieren naar deze tussentijd gekeken. Sommigen bestempelen haar als zorgwekkend rommelgebied waar junkies slapen en vuilnis wordt gestort. Anderen verwelkomen haar als een verademing die ruimte, vrijheid en mogelijkheden schept in de verder doorgaans dichtgeregelde en dichtgeplande stad.

Pas recentelijk is men in de planvorming rekening gaan houden met de mogelijkheden van de periode van transformatie zelf. Na het succes van Richard Florida's Rise of the Creative Class heeft men op veel plaatsen deze veelbelovende creatieve doelgroep aan de tussentijd gekoppeld. Leegstaande gebouwen worden tijdelijke verhuurd aan creatieve ondernemers die daarmee het gebied op de kaart zetten en zo hopelijk de gebiedsontwikkeling een positieve impuls geven. Los van de vraag of men de creatieve stad niet een meer permanente status moet gunnen en of er genoeg creatieven zijn om alle tussentijdlocaties te vullen, is de transformatietijd bij uitstek een periode waarin alles wat er toe doet op een plek, alles wat een plek waardevol maakt, naar boven zou kunnen worden gehaald. Een periode waarin ook geëxperimenteerd kan worden met nieuwe programma's. De tussentijd wordt dan ingezet als ontdekking-, experimenteer- en ontwikkelingstool.

Langzamerhand wordt de tussentijd op steeds meer plekken en manieren onderzocht en ingezet. Zo werkt in Groningen een enthousiaste groep aan het project Open Lab Ebbinge, waarbij een braakliggend terrein grenzend aan het centrum van de stad het toneel wordt voor mobiele architectuur. In Scheveningen is op een braakliggend terrein langs de boulevard het surfhostel F.A.S.T. (Free Architecture Surf Terrain) gebouwd van containers, inclusief bar, restaurant, winkels en werkplaatsen. In Arnhem is het Departement voor Tijdelijke Ordening opgericht, dat de Arnhemse transitielocaties in kaart brengt en programmeert. Atelier Rijksbouwmeester pakt tussentijd op in haar nieuwe onderzoeksklabs, Stimuleringsfonds voor Architectuur heeft het als een centraal thema aangewezen en in Heerlen spelen leegstaande ruimtes in de binnenstad een belangrijke rol in een prijsvraag. Wat men zich daarbij hopelijk wel realiseert is dat tussentijdprojecten er niet alleen zijn voor de opleuking of maskering van een kale periode, maar dat zij een veel constructievere bijdrage kunnen leveren aan de transformatie van een gebouw, straat, wijk of stad. Dit laten projecten als het Schieblok van ZUS en Creatief Beheer in Rotterdam goed zien. Het lastige is alleen dat voor dit soort projecten geen kant en klare receptuur bestaat, geen kunstje dat overal kan worden herhaald. Wel valt er een mentaliteit te bespeuren die onontbeerlijk lijkt. Je zou het de 'tussentijdmentaliteit' kunnen noemen. Die tussentijdmentaliteit is interdisciplinair, ontsluit, ontregelt, zet cartografie in voor waardecreatie, gaat niet van een vaststaand eindbeeld uit, maar werkt met flexibele planprocessen en zoekt naar een open source-aanpak van architectuur en stedelijke ontwikkeling.

In de stedelijke ontwikkeling zou een beetje meer tussentijdmentaliteit geen kwaad kunnen. Corporaties en gemeentes zouden meer mee kunnen bewegen met de reële stad door veel beter en gedetailleerder te kijken naar transformatielocaties alvorens men ingrijpt. Zo kunnen ontdekkingen in de tussentijd (informeel gebruik, de aanwezige kennis, bedrijven en cultuur) meegenomen worden in de nieuwe ontwikkeling. Deze werkwijze genereert in eerste instantie misschien weinig economische waarde in de nauwe betekenis van het woord, maar wel veel sociale, kunstzinnige, maatschappelijke en culturele waarden. Die hebben een positieve invloed op de ontwikkeling van een plek en komen zo uiteindelijk ook de samenleving en economie ten goede.

De tussentijd als begrip beperkt zich niet tot de zichtbare periode van herstructurering alleen. Zij begint veel eerder, wanneer voor het eerst weer over een gebouw, straat, wijk wordt nagedacht. Tussentijd houdt ook niet op als een gebouw, straat of wijk is opgeleverd, de stad is immers continu in verandering.
‘Het eindbeeld is wat we willen bereiken, de honderd jaar oude bomen, de bruisende stad, de mooie buurt. De top van de berg daar streven we naar. De wandeling daar naartoe wordt veelal vergeten. En als blijkt dat we de top niet hebben kunnen vinden, blijkt ook dat de wandeling niet eens de moeite waard is geweest. Een plan heeft ‘ingebouwde flexibiliteit’ nodig om tijdens het proces nog op de veranderende uitgangspunten in te kunnen gaan. Je kunt niet zomaar een plan achteraf in stukjes knippen en dat fasering noemen. Fasering dient meegenomen te worden in het ontwerp. Het is niet alleen de volgorde waarop een ontwerp wordt uitgevoerd, fasering is een ontwerpkeuze.’
(Sonja Mihaljevic, Ontwerpen met de factor tijd, Stedelijk Interieur 2007/3)

Voor een tussenmentaliteit zonder eindbeelddenken zou een vorm van ‘ontwikkelend beheer’ ideaal zijn. Ontwikkeling en beheer zijn momenteel twee afgescheiden werelden. Ontwikkelaars denken meestal in termen van ‘nieuw’ en ‘anders’ en werken graag met een schone lei, met grote investeringen en met een lange planhorizon en afschrijvingstermijn. Beheerders zijn op hun beurt vooral bezig met behoud van het bestaande. Zij zijn gewend om te werken met een relatief snelle uitvoering en maximale kostenbesparing. Binnen woningbouwcorporaties en gemeenten hebben beide disciplines hun eigen afdeling, organisatie, beleid en directie. Het laten samensmelten van ontwikkeling en beheer zou een derde weg kunnen zijn. Wie kiest voor ontwikkelend beheer, gaat ervan uit dat een wijk nooit af is. Dat zij na oplevering niet langzaamaan devalueert  – stilstand is immers achteruitgang – maar dat zij zich voortdurend blijft versterken, aanpassen en vernieuwen. Een stadsdeel, wijk, straat of gebouw krijgt zo de kans om zichzelf steeds opnieuw uit te vinden en herschrijven, waardoor stedelijkheid in gelaagde variëteit kan ontstaan.