Recensie —

Zes posities

Arthur Wortmann

Onlangs verscheen het boek Posities. Nederlandse fotografie van architectuur, stad en landschap, waarin zes fotografen worden geportretteerd: Hans Werlemann, Jeroen Musch, Jannes Linders, Ralph Kämena, Theo Baart en Bas Princen.

Dat zo’n boek nu bestaat is natuurlijk pure winst. De architectuurfotografie – laat staan de Nederlandse architectuurfotografie – is niet bepaald een discipline die gezegend is met een omvangrijke bibliotheek aan analyse en duiding.
Misschien moeten we het niet ingewikkelder maken dan het is en Posities gewoon beschouwen als een informatief boek over de drijfveren van zes interessante architectuurfotografen. De zes worden elk in een eigen hoofdstuk behandeld. Ieder hoofdstuk begint met 22 pagina’s foto’s, gevolgd door een geschreven portret, in de eerste persoon enkelvoud, waarin de betreffende fotograaf vertelt over zijn werk. Leidende gedachte daarbij lijkt te zijn dat de verklaring voor hoe iemand werkt, te vinden is in zijn biografie. In alle gevallen lezen we namelijk een chronologisch verhaal dat de verschillende relevante stappen in opvoeding, opleiding en beroepspraktijk de revue laat passeren.

Volgens de auteurs van het boek, Simon Franke, Allard Jolles en Piet Vollaard, is er echter meer aan de hand. Zij stellen dat halverwege de jaren negentig de hoogtij van de Nederlandse architectuur voorbij was en dat daarmee de rol van de fotograaf veranderde. Hij stopte met het maken van ‘spetterende’ foto’s van fonkelnieuwe gebouwen met blauwe luchten en werd als het ware zelf ontwerper, door foto’s te maken die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de ontwerpende beroepen. De term die de auteurs introduceren om dit verschijnsel te benoemen is ‘interpreterende opdrachtfotografie’, en de zes hier geportretteerde fotografen zouden de beste voorbeelden van deze nieuwe aanpak zijn. In hun foto’s, zo stellen de auteurs, draait het niet om mooie plaatjes, maar om de ‘maatschappelijke legitimiteit van architectuur en stedenbouw’, om ‘functie, gebruik en context’ en om de ontwerper en diens opdrachtgever te leren ‘om met andere ogen te kijken naar het eigen product’.

Hoewel je je als lezer vagelijk wel iets kunt voorstellen bij deze theorie laat de onderbouwing te wensen over. Dat zit hem ten eerste in de terminologie. De ‘interpreterende opdrachtfotografie’ wordt afgezet tegen een (niet bijster interessante) puur documentaire ‘productfotografie’ en een (vrijblijvende) ‘autonome kunstfotografie’. Doordat de auteurs geen voorbeelden geven van representanten van deze twee andere werkwijzen blijft echter onduidelijk waar de grenzen liggen.
Daarnaast valt op dat de zes gepresenteerde fotografen wel heel erg uiteenlopend werk maken en zich heel verschillend verhouden tot het begrip ‘opdracht’. Werlemann en Musch waren jarenlang ‘embedded’ werkzaam binnen architectenbureaus. Baart is vooral bekend van de fotoboeken die hij zelf initieert. Princens foto’s hebben al lang als autonome kunstwerken de wereld veroverd. Kortom: hoezeer ik het ook probeer, het lukt me niet om de zes fotografen te zien als een groep die binnen één theorie over de ontwikkeling van de Nederlandse architectuurfotografie is te vatten.

Wie echter de pretentie van die overkoepelende theorie naast zich neerlegt kan genieten van een mooi en verhelderend boek over de posities van zes individuen.

Zo legt Hans Werlemann bijvoorbeeld uit waarom hij een voorkeur heeft voor wazige foto’s in lage resolutie: ‘Ik zoek een beeld zoals je je een droom herinnert, vaag als een oude korrelige film; juist dan wordt je verbeelding aan het werk gezet.’

We leren dat Jeroen Musch zoekt naar foto’s die een verhaal kunnen vertellen: ‘Als een foto goed genoeg is, wordt “het verhaal”, die hele beeldenreeks van momenten ervoor en erna, dat ene moment ingetrokken.’

Jannes Linders, wiens hart eigenlijk ligt bij documentaire fotografie, onthult dat architectuurfotografie in opdracht vaak eigenlijk helemaal niet leuk is: ‘Uit verveling ga ik op zoek naar iets bijzonders, niet om de opdrachtgever tevreden te stellen, maar om het voor mezelf uitdagend te maken.’

Ralph Kämena geeft aan dat men in onze maatschappij van alles probeert te regelen en te ordenen, maar dat ‘er toch altijd iets gebeurt wat zich aan die orde onttrekt’. Door dat te laten zien poogt hij met zijn werk een bijdrage te leveren aan stedenbouwkundig onderzoek.

Theo Baart was op een gegeven moment het gereis van de ene fotolocatie naar de andere zat. ‘Ik ontdekte dat ik eigenlijk geen flauwe notie had waar ik naar keek. Ik wil begrijpen waar ik naar kijk, daarom liggen de onderwerpen tegenwoordig zo dicht bij huis.’

En Bas Princen vertelt over zijn ontdekking dat de camera een ontwerpinstrument is: ‘Al vrij snel kwam ik erachter (…) dat ik de realiteit kon beïnvloeden door haar te fotograferen. (…) Vanaf dat moment is fotograferen voor mij nooit meer registratie of document geweest, maar altijd een geconstrueerd beeld, zonder een directe link met de werkelijke plek.’