Recensie —

De nieuwe leefstijlenstrijd

Dirk van den Heuvel

Is er een verband tussen de populariteit van de themawijk en de nieuwe klassenstrijd die nu woedt? Stadssociologen Sabine Meier en Arnold Reijndorp onderzochten de aantrekkelijkheid van themawijken voor plannenmakers (gemeenten, ontwikkelaars, architecten) én voor bewoners.

Brandevoort
Brandevoort

Kijkend naar onze steden en de discussie over veiligheid en overlast in de publieke ruimte, kun je stellen dat er alweer sinds enige tijd een stevige strijd tussen bevolkingsgroepen gaande is. Je zou dit een nieuwe klassenstrijd, of wellicht correcter een leefstijlenstrijd kunnen noemen. Want of het nu gaat om de jaarlijkse Amsterdamse Gay Pride botenoptocht met veel oh-la-la bloot, of de bouw van een nieuwe moskee, het  gaat in essentie om het claimen van een nieuwe en daardoor vaak omstreden zichtbaarheid van zich emanciperende groepen stadsbewoners.

Gideon Boie en Matthias Pauwels van het bureau BAVO betrokken al eerder de stelling dat er een nieuwe klassenstrijd zou zijn. Ze deden deze uitspraak naar aanleiding van het ruimtelijk beleid van de stad Rotterdam en de zogenaamde Rotterdamwet, die het gemeenten mogelijk maakt arme en sociaal zwakke groepen te weren om zo concentraties van kansarmen tegen te gaan. Op zich was dit een terechte kritiek, maar het was ook een nogal ouderwets Marxistische van-dik-hout-zaagt-men-planken analyse. Het begrip klasse is te star om recht te doen aan de sociale mobiliteit van mensen en de vloeibaarheid of meervoudigheid van hun identiteit en het helpt zeker niet om te begrijpen om wat voor soort strijd het nu zou gaan. Ook een begrip dat de politicoloog Samuel Huntington de wereld in geholpen heeft – de Clash of Civilizations – lijkt me veel te zwaar om te kunnen begrijpen wat er nu aan de hand is in onze Nederlandse steden. Het begrip leefstijl is met al zijn beperkingen nog de beste term om de samenhang tussen leefgewoonten, identiteit, sociale positie en ruimtelijke patronen, en de veranderingen daarin, zichtbaar te maken. Ook of eigenlijk juist omdat lifestyle de aspecten van mode en consumptie incorporeert.

De bescheiden publicatie ‘Themawijk. Wonen op een verzonnen plek’ van de stadssociologen Sabine Meier en Arnold Reijndorp sluit op een mooie manier aan bij deze discussie over hoe leefstijlgroepen in de stad samen wonen en een eigen territorium claimen. Op een zorgvuldige en neutrale manier proberen Meier en Reijndorp te ontrafelen hoe en waarom nieuwe buurten worden ontwikkeld met een uitgesproken architectonische en stedenbouwkundige identiteit die gericht zijn op het aantrekken van nieuwe groepen ‘gelijkgestemden’, mensen die met elkaar willen samen wonen zonder in een collectief keurslijf te worden geperst. Bij het aanspreken van deze potentiële bewoners wordt gebruik gemaakt van een slimme marketingstrategie. De vormgeving van de architectuur en de directe woonomgeving worden gebruikt als een verkoopinstrument waarbij sterk wordt ingezet op een vormgeving die appelleert aan gevoelens van nostalgie en beschutting, en soms aspecten van exotisme en avontuur heeft. Meier en Reijndorp spreken van zogenaamde extrinsieke thema’s: verzamelingen van motieven en metaforen die verwijzen naar iets wat eigenlijk buiten de architectuur ligt en vaak ook buiten de locatie zelf.

Zoals bekend zijn er de laatste jaren verschillende spraakmakende projecten gerealiseerd waarbij architectuur en vooral de architectuurgeschiedenis, zijn ingezet om een verzonnen identiteit te creëren. Denk bijvoorbeeld aan prestigieuze en grootschalige complexen als Rob Kriers de Resident in Den Haag en het nog in aanbouw zijnde centrumplan van Sjoerd Soeters in Zaanstad. De publicatie ‘Themawijken’ mengt zich dan ook in de discussie rond het nieuwe traditionalisme, maar benadert dit onderwerp subtiel, soms zelfs op het omzichtige af. Dit heeft te maken met het feit dat Meier en Reijndorp oprecht geïnteresseerd zijn in de beweegredenen van de verschillende betrokkenen bij deze projecten.
Het onderzoek leunt dan ook zwaar op interviews met bewoners. Aan de hand van hun antwoorden en taalgebruik proberen de auteurs de keuze voor de nieuwe buurt te duiden. Zo willen ze weten of de zogenaamde thematisering een rol heeft gespeeld in de keuze – ook als het gaat om een evident verzonnen symboliek – en wat die rol dan precies was. Met de focus op thematisering en fictionalisering van de stad opent deze benadering een nieuw en vruchtbaar perspectief op een discussie die in de architectuur volledig vastgelopen lijkt. Alleen daarom al is ‘Themawijken’ een belangrijke bijdrage. Via het fenomeen van thematisering is het mogelijk om voorbij te gaan aan de schijntegenstelling tussen nieuw traditionalisme en een vermeend modernisme die het debat menigmaal vertroebelt, zoals laatst ook weer bleek uit het interview dat Bernard Hulsman had met de zoals hij omschreef, ‘bekeerde modernist’ Vincent van Rossem.

Om het fenomeen van thematisering beter te begrijpen hebben Meier en Reijndorp drie projecten onder de loep genomen: Brandevoort bij Helmond, Noorderhof in Amsterdam en Le Medi in Rotterdam. Elk project heeft zijn eigen context, de een is een buitenwijk, de ander een interventie in een naoorlogse wijk en de laatste een ingreep in een stadsvernieuwingsbuurt. Wat ze bindt, is het weinige vertrouwen dat zowel overheden en als ontwikkelaars hadden in de aantrekkelijkheid van deze te ontwikkelen woongebieden voor nieuwe groepen draagkrachtige bewoners. Een uitgesproken architectuur werd gezien als een krachtig middel om de buurt en het project van een positief imago te voorzien.

De verbinding tussen de architectuur en de specifieke leefstijlen blijft uiteraard een lastige dobber voor wetenschappers en ontwerpers. Maar ze wordt ondubbelzinnig gelegd door de verschillende, bij het project betrokken partijen, bewoners incluis. Meier en Reijndorp gebruiken vooral Pierre Bourdieu en diens theorie van sociale distinctie om deze verbinding aannemelijk te maken. In diens theorie vormen leefstijl, smaak en distinctie een soort motor achter sociale processen als groeps- en klassenvorming. Meier en Reijndorp proberen in kaart te brengen hoe deze sociale processen doorwerken in de ruimtelijke processen van de stad en de architectuur. Het meest plastische voorbeeld dat langs komt in de bewonersgesprekken is dat van de stoep voor het huis. Waar in Brandevoort de stoep netjes moet blijven, waar je niet zo maar mag hangen als was het een volksbuurt, daar mag je in Amsterdamse Noorderhof wel een wijntje drinken voor je deur als uiting van genieten van het goede leven.

Meier en Reijndorp beschrijven het fenomeen thematiseren overigens als een relatief recent verschijnsel dat vooral verbonden is met de ‘verpretparkisering’ van de cultuur en ons landschap. Maar in de architectuur bestaat thematisering al veel langer. Je zou terug kunnen gaan naar de 18e eeuw, naar de opkomst van het picturesque, toen leisure als klassenverschijnsel en het toerisme van de grand tour drijvende krachten vormden achter een nieuwe esthetische sensibiliteit en architectuurstijlen voor het eerst als relatief en uitwisselbaar worden gehanteerd. Je kunt ook denken aan de extravaganties van de negentiende eeuw, aan kasteel De Haar van Cuijpers, of het slot Neuschwanstein gebouwd voor Ludwig II. Ook de naoorlogse periode biedt aanknopingspunten, bijvoorbeeld in het werk van Piet Blom met projecten als de Kasbah in Hengelo of de Oude Haven in Rotterdam. Met name in deze laatste projecten zie je al de eerste sporen van het samenvloeien van exotisme, consumptie-maatschappij en leefstijlen, en city-marketing.

Ten opzichte van deze historische voorbeelden komt in Meier en Reijndorps beschrijving één nieuw aspect naar voren dat het vermelden waard is en dat betreft het aspect van sfeer, en hoe sfeer ook een controlemiddel is. Sfeer komt vooral naar voren in de gesprekken met de bewoners. Architecten durven eigenlijk nooit over sfeer te praten. Dat is jammer, maar misschien hebben ze wel gelijk en is sfeer vooral iets wat aan de bewoners toebehoort en uiteindelijk buiten de architectuur zelf valt. Sfeer blijkt niet zomaar gezelligheid of je veilig thuis voelen te omvatten. Het blijkt onlosmakelijk verbonden met sociale controle, zoals het voorbeeld van het gebruik van de stoep duidelijk maakt. Het maken van sfeer via thematisering, staat in dienst van het controleren van de directe woonomgeving en de gebruikers daarvan, concluderen Meier en Reijndorp.

Opvallend genoeg onderbouwen de auteurs daarmee wel de stelling dat onze steden steeds meer onderworpen worden aan de zogenaamde disneyficatie zoals in het geval van het New Urbanism van Celebration en Seaside in Florida. De auteurs zelf willen echter niet zo ver gaan en pogen deze bewering juist te nuanceren door bijvoorbeeld het destijds geruchtmakende boek van Michael Sorkin, ‘Variations on a Theme Park. The New American City’ te bekritiseren. Maar zelfs als het dan niet om een letterlijke of Amerikaanse disneyficatie zou gaan, zou je toch kunnen spreken van een sluipende vorm ervan. De verzonnen plekken die Meier en Reijndorp in kaart brengen, zijn de nieuwe, stedelijke territoria die worden gedefinieerd en gecontroleerd via diezelfde thematisering van het wonen en de woonomgeving. Kijkend naar de verschillende projecten en de achtergronden daarvan, dan blijkt thematisering of disneyficatie vooral aan te slaan bij groepen die een nieuwe dominantie willen bewerkstelligen. Het is in die zin dat er sprake is van een nieuwe leefstijlenstrijd, een strijd die zich onder onze neus op de stoep afspeelt. En een waar we geregeld ook zelf onderdeel van zijn wanneer we naar de Canal Parade gaan, of met vrienden en buren op straat naar het voetbal kijken.