Recensie —

Delftse vriendschappen en relaties

Joosje van Geest

Met een publicatie, een bijbehorende tentoonstelling en een multidisciplinaire manifestatie ‘De Groep van Delft’ wordt de aandacht gevestigd op een tot nog toe onbekende groep die tijdens het Interbellum Bouwkunde studeerde aan de TH Delft. In het behouden onderwijsklimaat van die tijd maakten deze studenten zich hard voor een bredere oriëntatie op de contemporaine ontwikkelingen in de vakwereld.

De studenten wilden binnen het onderwijs aandacht voor het Nieuwe Bouwen dat door de conservatieve hoogleraren stelselmatig werd genegeerd. Dankzij tal van nieuwe gegevens wordt met de publicatie 'Jan Albarda en De Groep van Delft' een aanvullend beeld op deze periode geschetst. De nadruk ligt vooral op het netwerk dat in Delft is ontstaan. In dat opzicht neigt het onderzoek naar een human-interest aanvulling op de bestaande architectuurgeschiedenis. Wellicht een nieuw genre?

Initiatiefnemer Jan Molema en mede-auteur Suzy Leemans schetsen in het kloeke boek de strijd in de Delftse studentenwereld tegen de achtergrond van een breder tijdsbeeld en zoomen in op de persoonlijke geschiedenis van een vooralsnog vrijwel onbekende architect. Albarda is de zoon van S.D.A.P minister Albarda en naaste medewerker van niemand minder dan J.J.P. Oud. Met tal van anekdotes, schetsjes en briefcitaten wordt benadrukt dat zijn vriendschap met Oud en zijn rol in het ontwerpproces belangrijker was dan vooralsnog in de vakliteratuur is erkend. Tot nu toe slechts opgevoerd als dienend tekenaar, trachten de auteurs duidelijk te maken dat Albarda een soort projectarchitect was die, met typisch Delftse analyses en als voorzitter van diverse bouwvergaderingen, het ontwerp van BIM-hoofdkantoor en waarschijnlijk ook dat van de Spaarbank behoorlijk heeft beïnvloed.
In hoeverre dit het staande onderzoek over het ontwerpproces van Oud van Dolf Broekhuizen tegenspreekt, blijft onduidelijk omdat tussen de vele citaten over Oud juist dit proefschrift ontbreekt en kennelijk niet door de auteurs is geraadpleegd. Duidelijk is wel dat in de bestaande literatuur over Oud Albarda nauwelijks genoemd wordt. Ook over de mogelijke invloed van Dolf Godron, de andere medewerker bij Oud, wordt vrijwel nergens gerept. Wat dat betreft maakt het werk van Molema en Leemans wellicht de weg vrij voor een onderzoek naar de rol van medewerkers en/of tekenaars in architectenbureaus in het algemeen (en brengt Albarda langs deze omweg toch nog een emancipatie van de arbeider teweeg).

Op initiatief van de studenten vond in 1930 een Internationale Leergang over Nieuwe Architectuur plaats. Het kan opgevat worden als de eerste doorbraak in de traditionele geslotenheid van de studentenmaatschappij. Doorgaans werd er geen aandacht geschonken aan de moderne ideeën van de socialistische of zelfs communistische avant-garde. Het driedaagse congres, mede gefinancierd door Kees van der Leeuw en met aansluitend een excursie naar de Van Nelle-fabriek, had illustere sprekers als Gropius, Duiker en Breuer en gasten als Rietveld, Berlage en Van Tijen. De hoogleraren als Van der Steur en Granpré Molière zaten weliswaar in de zaal, maar de ontvangst vond opmerkelijk genoeg plaats op het Delfts Studenten Corps.
Niet alleen bij de Praktische Studie (organisator van het congres en de voorloper van Stylos) maar ook bij het Corps was een groeiend enthousiasme te bespeuren voor de opvattingen uit de voorhoede. Bovendien was Jhr. Jan de Ranitz er preases en bekleedden meerdere bouwkundestudenten er bestuursfuncties. Voor het corpslustrum in 1928, met de titel Mens en Machine, was een ronduit constructivistisch spektakel met een huizenhoge, mechanische installatie op de Paardenmarkt gebouwd.

Fraaie foto’s in het boek en op de tentoonstelling tonen het decorontwerp, het grafisch werk en de Oskar Schlemmer-achtige danskostuums. Alles duidelijk geïnspireerd op de dynamische Duitse en Russische kunstuitingen uit de jaren twintig en ontworpen door bouwkunde-corpsleden zoals Albarda, Joost Boks (van het Bouwcentrum in Rotterdam), Piet Donk (later hoogleraar interieur) en John van Erp. Ook professionals waren betrokken zoals Mannes Franken, schrijver van het spel over de strijd tussen mens en machine, en filmer Joris Ivens. Films als Regen van Franken en Ivens en De Brug zijn in het kader van deze manifestatie weer in Delft vertoond.

De fascinatie voor de techniek en de moderne tijd, die Ivens zo fraai toont in zijn film over De Hef en die de studenten in Rotterdam bij de Van Nellefabriek konden aanschouwen, vormde de basis voor de oprichting van De Groep in 1933. De Delftse vriendschappen bleven in veel gevallen lang bestaan en ontsponnen zich tot een netwerk dat volgens de auteurs invloed heeft gehad op de modernisering van het na-oorlogse Nederland. Albarda werkte enige tijd bij het Militair Gezag en De Ranitz was adviseur bij de vestiging van het UN-gebouw in de V.S. In dat opzicht was echter de contemporaine B.S.K. (confessionele studentenkring rondom Granpré Molière met oa Sam van Embden, Hans van der Laan en later K. Van der Gaast en J.A. Kuiper) een stuk succesvoller. Niet alleen kwamen er ook uit de B.S.K. levenslange relaties voort, het bleek bovendien een betere voedingsbodem voor een succesvolle loopbaan te zijn, gezien het feit dat uit het ledenbestand meerdere grote architectenfirma’s voortkwamen die Nederland wederopbouwden.

De oprichtingstekst van De Groep van 15 pagina’s is geheel in de publicatie opgenomen, evenals tal van andere brieven, artikelen en archiefstukken, waardoor het boek overigens ook een fraai handboek is geworden. De opvattingen van De Groep stellen echter wat teleur. ‘Wij willen een architectuur die breekt met al wat zweemt naar het gebouw als vesting. [..] Wij willen een architectuur die zich opent op het leven.’ Het is allemaal vrij gematigd en a-politiek. Opgegroeid in een intellectueel milieu en met een socialistische vader die Troelstra opvolgde als voorzitter bij de S.D.A.P. verwacht je van leden als Albarda toch wat meer engagement. Helemaal als je je realiseert dat in hetzelfde jaar Hitler Rijkskanselier was geworden, het Rijksdaggebouw in brand was gestoken en het anti-semitisme in Duitsland akelige vormen aannam. Opvallend is dat de meeste leden van De Groep onbekend zijn gebleven. Dit is deels te wijten aan het gebrek aan werk in de jaren veertig, maar misschien ook omdat talentvollere studenten zich verzamelden in de BSK, en die daarbij bovendien konden profiteren van een ‘kruiwagen’ in de vorm van een betrokken hoogleraar. Op een dergelijke invloedrijke promotor kon De Groep niet leunen.
De verdere loopbaan van Albarda is kenmerkend. Voor de oorlog werkte hij bij Oud, na de oorlog als zelfstandig architect. Hij realiseerde enkele volkshuisvestingsprojecten in Den Haag maar emigreerde in 1951 naar Canada waar hij aanvankelijk in de scholenbouw actief was. Op latere leeftijd wijdde hij zich geheel aan de bouw van klavecimbels.