Feature —

Antropoloog onder architecten

Oene Dijk

De antropoloog onder de architecten, zo is de Nederlandse architect Anne Feenstra het best te kenschetsen. Het duurde dan ook even voordat Feenstra gebouwen en ontwerpen toonde tijdens zijn lezing in Arcam op 17 augustus jl. Portretten van mensen kwamen als eerste voorbij, want, zo stelde hij, architecten moeten nooit vergeten voor wie zij bouwen. Of naar Feenstra´s collega architect Rene van Zuuk: ‘een gebouw zonder mensen is slechts een gebouw’.

Voordat Feenstra naar Afghanistan vertrok was hij werkzaam als architect bij Will Alsop en in die hoedanigheid onder andere betrokken bij het Almere centrumplan en Rotterdam CS. Hij richtte in 2003 het bureau AFIR Architects op, met vestigingen in Kabul en in het noordelijk gelegen Khulm. Hij doceert, onbetaald, architectuur aan de Universiteit van Kabul en aan de School of Planning and Architecture in New Delhi. In de Indiase hoofdstad richtte hij Arch-I, een platform voor architectuur en stedenbouw, op.

Afghanistan is een groot land met een extreem klimaat, kent een grote variëteit aan hoog en laag gelegen gebieden en bezit een prachtige natuur. Reizen is moeilijk, door de onrustige politieke situatie en vooral vanwege onbegaanbare wegen en het roekeloze verkeer. In Afghanistan vallen meer slachtoffers in het verkeer dan door aanslagen. Feenstra toonde beelden van besneeuwde passen en ondergelopen wegen en liet middels een Afghaanse man op een paard de oplossing zien voor wanneer de jeep weer eens was vastgelopen. Dit eenvoudige antwoord op de problemen voor een architect in Afghanistan was typerend voor de nuchterheid waarmee Feenstra sprak over zijn werk.

En reizen moet hij. Het project voor de zogenaamde ‘moederwachthuizen’ in opdracht van UNICEF en het Afghaanse Ministerie van Gezondheid brengt hem door bijna heel Afghanistan. UNICEF deed onderzoek naar de hoge sterftecijfers van zwangere vrouwen en pasgeborenen in de Afghaanse ziekenhuizen. De slechte hygiëne was mede het gevolg van de ruimtelijke opzet van de gebouwen. Mensen liepen in en uit de niet van elkaar gescheiden ruimten. In de Afghaanse cultuur moeten vrouwen vergezeld worden door mannen. De uitdaging was niet alleen de ruimtes te scheiden, maar ook – vooral bij de mannen – het bewustzijn te vergroten dat deze scheiding noodzakelijk was. De vrouwen zouden hun gewenste privacy krijgen en de hygiëne zou op deze manier aanzienlijk verbeteren. De opdracht was vooral interessant omdat het een zoeken was naar een nieuwe typologie, die volgens Feenstra niet in de Neufert te vinden is. De lokale Unicef directeur was zo te spreken over het ontwerp en de uitvoering dat hij deze wilde kopiëren naar andere geplande moederwachthuizen. Dat was buiten de architect gedacht. Lokale verschillen vragen om lokale oplossingen stelt hij.

Feenstra introduceert zo zijn definitie van duurzaamheid. Deze is altijd gestoeld op de aanwezige lokale kennis. De mensen ter plekke kennen de bodemgesteldheid, het klimaat, de aanwezige materialen en de natuurlijke omstandigheden, zoals aardbevingsgevaar. Duurzaamheid is vooral ook een kwestie van het aangaan van een langdurige verbinding met elkaar. Feenstra citeerde de meest aan hem gestelde vraag: 'how long are you gonna stay?'. En verwoordde daarmee ook zijn kritiek op vooral de Amerikaanse bouwprojecten. Deze worden in korte tijd, met minieme input van lokale kennis, uit de grond gestampt. De projecten gaan vervolgens lange tijd schuil achter grote billboards waarop de namen van alle goedwillende internationale donateurs pronken. Voordat de woorden nazorg en onderhoud vallen zijn de weldoeners alweer gevlogen.

Niet alleen de nazorg is bij AFIR Architects in goede handen ook het proces voorafgaand aan het ontwerpen. Er werden gesprekken en workshops met lokale autoriteiten, vaklui en gebruikers georganiseerd. 'Design by proposal', zo haalde Feenstra Will Alsop aan. Voor het ontwerp van de moederwachthuizen leidde dit tot een indeling in drie zones: de publieke ruimte, het ‘huis’ met tuin (voor de vrouwen) en de buffer of overgangszone, waarin de keuken en de ruimte voor de verpleegsters zijn opgenomen. De dikke wanden werden onderbroken met lage ramen om zo de liggende vrouwen een uitzicht naar buiten te bieden. Hoewel het ministerie, vanwege financiële redenen een ‘box’ en niet een ronde vorm wilde kon AFIR Architects de opdrachtgevers overtuigen dat een recht toe recht aan oplossing niet altijd de meest efficiënte is. Het model wordt vervolgens aangepast aan lokale situaties, waarbij hoogte, klimaat en lokale materialen en bouwwijzen voor de verschillen zorgen. In Herat, gelegen bij de Iraanse grens, wordt een speciale lichtgele hardgebakken Iraanse steen gebruikt. In Feyzabad gebruikt men de lokale platte rotsstenen en een warme terra kleur. Ook de in aanbouw zijnde huizen in Mehtar Lam, Kandahar, Asadabad en Bamyan krijgen hun coleur locale.

Bamyan is de plaats waar de grote Boeddha beelden werden vernietigd. De echte ramp, stelt Feenstra, was de moord op duizenden burgers. Maar de provincie Bamyan is tevens een plek van schoonheid. Prachtige landschapsbeelden van het eerste Nationale Landschapspark in Afghanistan bewezen dat. Hier bouwde AFIR Architects een bezoekerscentrum en een toilettengebouw. De lokale expertise over klimaat, materiaal en bodemgesteldheid gecombineerd met de plicht van de architect om een zo aangenaam mogelijk gebouw te maken resulteerde in een subtiel bouwwerkje.

Wederopbouw is in Afghanistan een constante noodzaak. Feenstra werkt als Nederlandse vertegenwoordiger voor het Centre for Internationale Education (CIE) met een team aan de renovatie van het Nationale Museum in Kabul. Zijn bureau begeleidt tevens de renovatie van het Bagh-e Jahan Nama in Khulm. Russische troepen schoten het paleis van de ijzeren Emir kapot. Onderdeel van de Afghaanse architectenpraktijk is het tank en mijnenvrij maken van de bouwlocatie. Mijnen, erkende Feenstra, is het enige wat hem echt angst aanjaagt. In Khulm ging hij weer in gesprek met lokale vaklui en na lang aanhouden resulteerde dit in zijn bijdrage aan het grote werkloosheidsprobleem: de introductie van het leraarleerling concept. Sociale duurzaamheid en het doorgeven van een bouwtraditie gaan hierbij hand in hand. De muren van het paleis werden herbouwd in de lokale Pahksa bouwtechniek, waarbij het laag op laag bouwen resulteerde in oorspronkelijk lijkende, maar nieuwe, muren. Het gebouw krijgt als herbestemming een etnografisch museum binnen haar poorten. De omringende, in oude glorie herstelde, tuin met granaatappelbomen dient als ontmoetingsplek voor de lokale bevolking.

De Nederlandse consul van Afghanistan sloot de avond af met de toezegging van het Afghaanse ereburgerschap aan Feenstra. En dat lijkt verdiend voor deze antropoloog onder de architecten.