Recensie —

Ongeziene afslagen

JaapJan Berg

Alweer enige tijd terug verschenen The Landscape of Contemporary Infrastructure en Ring A10, twee boeiende en fraaie publicaties die ieder op verschillende, maar verfrissende wijze de hedendaagse infrastructuur benaderen. Beide boeken zijn ook te beschouwen als een pleidooi voor een gelaagde en vooral geïnspireerde aanpak van toekomstige opgaven op dit gebied.

The Landscape of Contemporary Infrastructure is samengesteld door Kelly Shannon en Marcel Smets, waarvan de laatste tot voor kort actief was als Vlaams Bouwmeester. Beiden delen naast hun aanstelling als professor aan de Universiteit van Leuven ook een fascinatie en liefde voor infrastructuur. The Landscape of Contemporary Infrastructure komt voort uit die fascinatie maar wellicht nog meer door Shannon en Smets’ constatering dat infrastructurele bouwwerken in toenemende mate als een houvast of ruggengraat fungeren in een wereld die jachtiger, mobieler en gefragmenteerder wordt. Een wereld die, volgens de auteurs, steeds meer ten prooi valt aan private initiatieven en waarin infrastructurele projecten zich steeds duidelijker manifesteren als een van de weinige middelen die de overheid ter beschikking staat om ruimte te structureren en een zekere mate van orde in deze private chaos te handhaven of te scheppen. Het infrastructurele landschap is voor Shannon en Smets publieke ruimte die gekoesterd moet worden. Niet in de laatste plaats omdat een groot deel van de mensheid, rijdend of stilstaand, veel van zijn kostbare tijd doorbrengt in dit wijdvertakte landschap van de infrastructuur. Voorts stellen Shannon en Smets terecht vast dat infrastructurele projecten al lang niet meer de geïsoleerde ingenieursopgaven zijn die enkel in de optimalisatie van onze mobiliteitsbehoeften voorzien, maar veel meer een smeltpunt van verschillende (collectieve) functies, partijen en disciplines. Infrastructurele projecten hebben zo veel meer een gelaagdheid verkregen die voorheen aan landschappen werd toegeschreven. Het realiseren van nieuwe infrastructurele opgaven komt neer op het samenbrengen en afstemmen van architectuur, landschappen, stedelijke condities en woon- en werkomgevingen.

De auteurs willen ons op basis van een gedegen onderzoek meer houvast en inzicht bieden in dit belangrijke en alom aanwezige element in de mondiale ruimtelijke ordening, en in ons dagelijks leven. Een element dat bovendien als een belangrijke en complexe ontwerpopgave voor de toekomst geldt. The Landscape of Contemporary Infrastructure is daarmee meer geworden dan een droge opsomming of rubricering van huidige, meer of minder bekende, verworvenheden op dit gebied. Shannon en Smets stond een kloek referentieboek voor ogen waarin enerzijds belangwekkende projecten variërend van snelwegen, bruggen, kustwegen tot vliegveldterminals, stations en zelfs fietsenstallingen gepresenteerd en bondig geanalyseerd worden. Anderzijds willen ze met deze line-up van projecten vooral de noodzakelijke inspiratie bieden om het bewustzijn van de waarde van het infrastructurele landschap tussen de oren van decision makers te krijgen. De projecten zijn daarbij meer indicaties om een juiste attitude tot stand te brengen dan dwingende dictaten of blauwdrukken voor nieuwe ontwikkelingen. Het gaat hen in eigen woorden meer om de gedachte achter de selectie dan om de selectie zelf. Door het toepassen van een taxonomische ordeningsprincipe hopen ze ook het reële gevaar van een te snelle gedateerdheid van de voorbeeldprojecten te voorkomen.

Als kapstok voor de, logischerwijs brede, variëteit aan projecten bedachten beide auteurs vier, enigszins metaforisch klinkende categorieën: afdrukken van mobiliteit in het landschap; fysieke verschijningsvormen in het landschap; de registratie van het landschap door verplaatsing; en infrastructuur als publieke ruimte. In deze vier categorieën, die elk weer zijn onderverdeeld in een aantal subcategorieën, werden in totaal drieënzeventig projecten onder gebracht die elk kort worden beschreven en geïllustreerd. Daarnaast doen de auteurs moeite om de (sub)categorieën (historisch) te plaatsen en te duiden. Het valt daarbij op dat bepaalde type projecten, zoals bijvoorbeeld vliegveldterminals, bij alle vier hoofdcategorieën te vinden zijn. De behandelde verzameling heeft overigens, zelfs voor kenners, nog wel een aantal onbekendere verassingen in petto. Dit ondanks het feit dat veel van de ruim zeventig projecten in een beperkt aantal landen zoals Frankrijk (13) de Verenigde Staten (12) en ook Nederland (6) te vinden is.

Een Nederlands infrastructureel project dat niet in The Landscape of Contemporary Infrastructure is opgenomen, maar zeker niet had misstaan, is de Amsterdamse ringweg A10. Het was zeker opgenomen als de auteurs zich hadden laten leiden door de publicatie Ring A10 die architectuurcentrum ARCAM recentelijk samenstelde en samen met Architectura & Natura uitgaf. Op basis van de beargumenteerde taxonomie was het project dan waarschijnlijk onder gebracht bij ‘Infrastructuur als publieke ruimte’.
Op basis van onderzoek wordt in Ring A10 het infrastructurele project op zorgvuldige wijze ontleed, beschreven en (historisch) geduid. Maar de ringweg wordt vooral benaderd als een integraal onderdeel van de hoofdstedelijke leefomgeving. Zo wordt op prikkelende wijze gezinspeeld de A10 niet te zien als een weg met nevenaspecten, maar als een 32 kilometer lang (imaginair) gebouw. De weg geldt in het gekozen perspectief niet uitsluitend als belangrijke mobiliteitsader, maar vooral als een uitzonderlijk, gelaagd gebied waar, naast het voortrazende autoverkeer (tenzij gevangen in een file), zich een verrassende veelvoud aan ruimtelijke, ecologische en architectonische artefacten manifesteert. Een rijkdom die zich bij uitstek laat genieten wanneer men niet voor het meest geëigende vervoermiddel, de auto, kiest om de zone langs en gebieden naast en onder de A10 te verkennen.

Om het beeld van de ‘A10-zoals-u-hem-nog-nooit-zag’ te versterken én om de toch wat tegendraadse aanpak van het onderwerp te versterken, zijn in de publicatie acht wandelingen langs het gehele parcours en een foto-essay opgenomen. In alle foto’s vervult de snelweg een bijrol door enkel als achter- of voorgrond te dienen, of door alleen met een obscuur detail zichtbaar te worden. Deze gekozen aanpak weerhoudt een aantal auteurs er overigens niet van de A10 vanuit een (wetenschappelijke of historisch) helikopterperspectief te analyseren of te gebruiken als kapstok voor eigen stokpaardjes, zoals Ton Venhoeven met zijn multimodiale knooppunten. Toch slaagt de fraai verzorgde uitgave er, net als The Landscape of Contemporary Infrastructure, op een andere en algemenere manier in om de gedachtevorming en reflectie op infrastructuur voor zowel een vakinhoudelijk als breed publiek te verrijken. Tevens mag van beide uitgaven verwacht worden dat de prikkelende en inspirerende betogen, hun uitwerking op het denken over, en ontwerpen aan, toekomstige infrastructurele opgaven niet zullen missen.