Recensie —

Academie gaat voor baksteen

Oene Dijk

Welkom in de wereld van de Wienerberger, de CRH Rimini, de Hagemeister, de Oud Cabergh, de oud Malpertuus en de Wittmunder klinker. Een wereld van bakstenen jurken, of Brick Dresses, zoals de tentoonstelling in de Academie van Bouwkunst in Amsterdam getiteld is.

Deze 'exhibition on an exacting material' is het startschot van het lectoraat van Jan Peter Wingender die net benoemd is als 'professor of Material and Design' aan de Academie van Bouwkunst Amsterdam. Geassisteerd door de architect Uri Gilad – tevens docent aan de academie – deed Wingender met een aantal academiestudenten onderzoek naar het hedendaagse gebruik van baksteen in de Nederlandse architectuur.
“Na Kollhoff”, zoals Machiel Spaan, hoofd afdeling architectuur, deze periode in een kort vraaggesprek duidde, hierbij doelend op het woongebouw Piraeus in het Oostelijk Havengebied te Amsterdam dat stamt uit 1989-1994. “Want dat was de kentering, toen mocht er weer in en met baksteen gebouwd worden”.

Machiel Spaan en Jan Peter Wingender organiseren al jarenlang workshops voor studenten waarin de omgang met materialen centraal staat. Het doel is om te denken vanuit materialen en niet vanuit de ontwerptekening. Zo werd er met houten palets gewerkt, waarbij via stapeling verschillende architectonische bouwsels ontstonden. In Ierland werd met keien gewerkt, in Bornholm in Denemarken met beton en in Trondheim, Noorwegen, met hout. Vanuit deze workshops was het een voor de hand liggende volgende stap om het lectoraat aan de Amsterdamse Academie, dat sinds enkele jaren steeds meer verbonden is aan de werkpraktijk, te koppelen aan een specifiek materiaal, in dit geval baksteen. Omdat het in de actuele Nederlandse praktijk weer gebruikt wordt en het – volgens Spaan en Wingender – “simpelweg een heel mooi materiaal is”. In een interview met AHK houdt Wingender een pleidooi om baksteen uit de gemarginaliseerde rol die het in de naoorlogse periode kreeg te halen: “De baksteen brengt de menselijke maat terug in de architectuur. Je kunt zeggen dat de baksteen tot de genen van de Nederlandse cultuur behoort.”

Overigens is de kans groot dat volgende lectoraten over andere materialen gaan, bijvoorbeeld hout. Want dat kent natuurlijk net als (bak-)steen evengoed eigenschappen die geschikt zijn voor tektonisch onderzoek. Maar tot begin 2013 staat de baksteen centraal. Nadeel van deze focus is wel dat de student die juist geïnteresseerd is in een ander materiaal, niet voor dat materiaal kan kiezen. Ter afsluiting verschijnt in 2013 jaar een publicatie. In de tussentijd vindt onderzoek plaats en volgt een lezingenreeks in het kader van het lectoraat.

Voor de tentoonstelling zijn negentien actuele voorbeelden van gebouwen waarbij het gebruik van bakstenen opvalt geanalyseerd. De selectie van de projecten vond op praktische wijze plaats: toegankelijkheid, bereikbaarheid en beschikbaarheid van het materiaal waren de criteria. Fotograaf Jeroen Musch heeft de gebouwen vastgelegd en de resultaten daarvan maken tevens onderdeel uit van de expositie. De foto’s corresponderen met de analyses, waarbij via het systematische hertekenen van de gevels het gebruik van baksteen nader onderzocht wordt. In de analyses wordt ook het overige materiaalgebruik nader met percentages in kaart gebracht.
De tentoonstelling opent met een citaat van Adolf Loos uit Das Princip der Bekleidung, uit 1898: “Ein jedes Material hat seine eigene Formensprache und kein Material kann die Formen eines anderen Materials fur sich in Anprach nehmen”.
Bijzonder dan dat ondanks een zeer beperkt percentage gebruikte baksteen, het varieert van net onder de tien procent tot net boven de zestig procent, alle negentien gevels duidelijk baksteen uitstralen. De getoonde gebouwen komen voornamelijk uit de Randstad, waarbij Rotterdam en Amsterdam/IJburg koplopers zijn. Gevestigde namen en enkele jonge honden bevolken het bakstenen toneel. De opdrachtgevers zijn zowel woningbouwcorporaties, met een lichte meerderheid, als projectontwikkelaars.

Het onderzoek resulteerde in een overzichtelijke en compacte tentoonstelling. Toch kent de expositie een duidelijk startkarakter. De begeleidende teksten ontstijgen maar zelden het niveau van de projectteksten, zoals we die van de websites van architectenbureaus kennen. Bij enkele gebouwen wordt wel specifieker ingegaan op welk spel de architect met baksteen speelt en daarmee welke typische decoratieve elementen aan dit speciale materiaal gekoppeld zijn. Dat smaakt naar meer.

“De discussie over baksteen zal ook het vehikel vormen voor de discussie over materiaal-concept versus concept-materiaal “, zegt Wingender in het aangehaalde interview met de AHK. Hoe een focus op een specifiek materiaal zich verhoudt tot tektonische keuzes en uitwerking en of de discussie over kunststof en staal voor tektonisch onderzoek mogelijk spannender is dan de ‘usual suspects’ baksteen en hout, komt in de tentoonstelling helaas niet naar voren.
Daarnaast zou een vergelijking met historische voorbeelden verdere verdieping kunnen bieden. Amsterdam is tenslotte de plaats waar de Amsterdamse School architectuur werd geboren. De Bouwkunstacademie had hiervan docenten en studenten en die School is natuurlijk intens verbonden met baksteen. In de komende jaren van het lectoraat Tectonics in contemporary Brick Architecture  zullen deze gaten hopelijk worden dichtgemetseld.