Opinie —

Behoud wederopbouwkerken vraagt om daadkrachtig beleid

Herman Wesselink en Norman Vervat

De wederopbouwkerken vormen het sluitstuk van een eeuwenlange kerkbouwtraditie die voorafgaat aan de vernieuwingen van de jaren zestig van de twintigste eeuw en aan een periode van ontzuiling, secularisatie en ontkerkelijking. Zo groot als de voorspoed en het optimisme waren tijdens de bouw, zo snel worden vele van deze kerkgebouwen, daterend uit de periode 1945-1970, nu in hun voortbestaan bedreigd. Door hun te jonge leeftijd hebben de meeste van deze kerken nog geen monumentenstatus, waardoor deze vaak vogelvrij zijn.

De afgelopen jaren zijn vele tientallen belangrijke kerken uit de wederopbouwperiode tegen de vlakte gegaan. Inmiddels zijn grote bressen geslagen in het oeuvre van belangrijke architecten, alsmede in belangrijke stromingen, zoals de internationaal bekende Bossche School. Ook verloren vele woonwijken door de sloop vaak een belangrijk stedenbouwkundig oriëntatiepunt en een deel van hun identiteit.
Recentelijk verdwenen onder andere de Willibrordkerk in Almelo, de Maria Gorettikerk in Kerkrade, de Opstandingskerk in Apeldoorn en de Pius-X kerk en de Opgang in Amsterdam.
In heel Nederland sluiten in de nabije toekomst circa duizend kerken, waarvan vele uit de wederopbouwperiode. Momenteel dreigt sloop voor belangrijke kerken als de Christus Koning in Heerlen, de Stephanus in Moerdijk en de Jozef in Tegelen.
De oorzaak van de problematiek ligt voornamelijk in het feit dat de hogere en lagere overheden vaak te weinig doen voor deze gebouwen. Een ander groot probleem vormen de verslechterde financiële situatie en stringente standpunten inzake hergebruik door de kerkgenootschappen.

Oud-minister Plasterk heeft eind 2007 honderd potentiële wederopbouwmonumenten uit de jaren 1940-1958, waarvan veertien kerken, voor de rijksmonumentenlijst voorgedragen. Helaas heeft het rijk het tot nu toe gehouden bij deze gebouwen. Dit betekent dat vele andere waardevolle jonge kerken vogelvrij zijn.
Uiteraard liggen de verantwoordelijkheden op dit gebied niet alleen bij de landelijke overheid. Vooral gemeenten, maar ook provincies, spelen een belangrijke rol bij het behoud van ons erfgoed. Helaas kan het (religieuze) wederopbouwerfgoed bij veel lokale bestuurders op weinig waardering rekenen. Een aantal provincies en gemeenten heeft de kerkgebouwen uit deze periode weliswaar geïnventariseerd, wat in veel gevallen overigens niet heeft geresulteerd in beschermingsmaatregelen; veel provincies en gemeenten voeren echter totaal geen beleid. Gevolg is dat gemeenten vaak overvallen worden door een sloopaanvraag en dat zij, ondanks de publieke onrust die rond een mogelijke sloop meestal ontstaat, een sloopvergunning niet kunnen weigeren.

De eerste stap die gezet moet worden is een structureel aanwijzingsbeleid door de landelijke overheid, waarbij zij na de modernisering van de monumentenzorg ook de kans moet grijpen om kerken van jonger dan vijftig jaar aan te wijzen. De lijst van wederopbouwkerken moet uitgebreid worden met minimaal vijftig gebouwen en/of ensembles. Gezien het tempo waarmee kerken verdwijnen, pleiten wij voor een aanwijzingsronde via spoedprocedure, vergelijkbaar met de snelle inventarisatie en aanwijzing van negentiende-eeuwse kerken in 1974. Naast de landelijke overheid moeten ook provincies en gemeenten spoedig overgaan tot het aanwijzen van tientallen belangrijke en beeldbepalende kerken als monument.

Het aanwijzen van meer monumenten is een belangrijke eerste stap naar een betere toekomst voor dit erfgoed, maar herbestemming is de daadwerkelijke sleutel tot behoud. Ook dit onderwerp dient dus hoog op de agenda te staan.
Bij kerken stuit hergebruik tegenwoordig, zoals gezegd, vaak op problemen. Sloop en nieuwbouw zijn daardoor in de ogen van veel bestuurders nog steeds de beste en makkelijkste oplossing. Kennisvergroting en (financiële) ondersteuning van rijksoverheid en particuliere erfgoedinstellingen aan gemeenten zijn daarom van groot belang, vooral in de belangrijke en vaak kritieke fase tussen kerksluiting en de daadwerkelijke keuze voor herbestemming. Daarbij kan de voorgestelde mottenballenregeling van oud-minister Plasterk uitkomst bieden, waarbij het pand tijdens de leegstand met een rijksbijdrage voor verval wordt behoed.
Een voor de monumentenzorg nieuw probleem bij het onderzoek naar hergebruik van kerken en kloosters is de krimp van de bevolking. Veel leeglopende kerken liggen buiten de Randstad, zoals in Limburg, in gebieden waar de komende decennia sprake is van bevolkingskrimp en dus van afnemende economische- en ruimtedruk. Dit zorgt in die gebieden vaak voor een overschot aan vastgoed, waarop in feite niemand zit te wachten. Dit vraagt om een andere denkwijze over de ruimtelijke planvorming. Gemeenten in deze gebieden dienen zich te realiseren dat sloop van beeldbepalende gebouwen niet de beste optie is. Zorgvuldig herbestemde monumentale objecten kunnen juist een bijdrage leveren aan het leefbaar houden van leeglopende wijken en dorpen.

Alleen met een weloverwogen en daadkrachtig beleid, dat begint met het op de korte termijn aanwijzen van een belangrijke groep gebouwen, maar vervolgens ook blijvend investeert in het hergebruik van kerken, kunnen wij de belangrijkste wederopbouwkerken sparen.