Feature —

De erfenis van Rietveld

Michiel Raats

Het is Rietveldjaar! En mocht u zich nu afvragen hoe het kan dat u dit tot nu toe gemist heeft, wees gerust: het Rietveldjaar is pas 24 juni begonnen, op de dag dat Gerrit Rietveld in 1888 werd geboren. En vreemd genoeg eindigt het jaar al op 30 januari, niet de dag dat Rietveld overleed overigens. In hoeverre wordt de Nederlandse architectuur vandaag de dag nog gekleurd door de erfenis van Rietveld, die met een reeks van activiteiten wordt gevierd. En betekent het experimentele in het werk en het denken van Rietveld nog iets voor jonge architecten?

Ik durf te wedden dat in menig jong bureau een boek over het werk van Rietveld zal ontbreken. Ook ik ben schuldig, in mijn boekenkast is geen boek over Gerrit Rietveld te bekennen. Rietveld klinkt toch enigszins als een stoffig dossier uit het rijke verleden van de Nederlandse architectuur en vormgeving, oude koek die architecten niet meer inspireert. Ja, Amsterdam heeft een Academie vernoemd naar en in aanzet ontworpen door hem. Utrecht heeft er een stukje Unesco werelderfgoed aan te danken, en de architectuurfaculteit van Delft heeft een collectie van zijn wereldberoemde stoelen. Maar wie was die man eigenlijk ook al weer?
Rietveld (1988-1964) was een zoekend man, continu bezig om het vak te bevragen. Steeds weer op zoek naar manieren om ruimte een scheppende, definiërende rol te laten spelen in het leven van mensen. Begrippen als levensdrang, bewustwording, waarneming, werkelijkheid en ruimte waren sleutelwoorden om te definiëren waar het in de kunst – en architectuur in het bijzonder – om zou moeten gaan. Rietveld was er van overtuigd dat er naast de bouwkunde ook een bouwkunst bestond, een bouwkunst die gelijk zou moeten staan aan 'ruimtekunst'. Zich ten volle bewust van de bepalende rol die de zintuigen spelen bij de waarneming, ontwikkelde Rietveld een overtuiging dat je je alleen bewust kunt worden van ruimte, vorm en kleur indien deze zich nadrukkelijk zouden onderscheiden van het gekende. Het ontwerpen van primaire en onconventionele constructies was dé manier om je te onderscheiden van het gekende en om een ruimtebeleving te veroorzaken die de mensen zou beroeren. Alleen dan kon architectuur of kunst de werkelijkheid beïnvloeden.

Vanuit die optiek is Rietveld wellicht nog altijd aanwezig in de ziel van de Nederlandse architecten. Denk bijvoorbeeld aan het Nederlandse paviljoen voor de Expo 2000 in Hannover. Toegegeven; het is misschien een enigszins gemakkelijk voorbeeld, maar toch; MVRDV, ontwierp een onconventionele stapeling van ruimtebelevingen die de primaire Nederlandse landschappen moesten voorstellen. Hetzelfde bureau ontwierp ook woningen op vinex-locatie Ypenburg; archetypen woningen, woningen zoals een kind ze zou tekenen, maar dusdanig gematerialiseerd dat ze opvallen tussen de woningen die er om heen staan. Maar ja, de vergelijking trekken tussen MVRDV en Rietveld is op deze gronden wel buitengewoon speculatief, voor ik het weet benoem ik Rietveld nog tot de grondlegger van SuperDutch. Een al even speculatieve relatie zou je kunnen aantonen tussen Rietveld en architecten die voornamelijk woningen voor private opdrachtgevers bouwen. Ik denk aan een bureau als Powerhouse Company, dat inmiddels is begonnen met de bouw van de derde door hun ontworpen privé-woning in enkele jaren. Rietveld bouwde gedurende zijn carrière een hele waslijst woningen, het Rietveld-Schröder huis is uiteraard zijn bekendste. Maar ja…is er op die gronden een 'verwantschap' met Rietveld te benoemen?

Rietveld is behoorlijk uitvoerig bestudeerd door een schare kunst- en architectuurhistorici. Architecten zelf hebben wellicht altijd al weinig met hem gehad. Hij was voor velen niet zo vernieuwend als Maaskant en tegelijkertijd niet conservatief genoeg om bijvoorbeeld een Nederlandse Loos te zijn. Misschien is de grootste bijdrage van Rietveld zijn gevoel voor tijdsgeest; Rietveld was één van de Nederlandse exponenten in de beweging De Stijl. Ontstaan vanuit het door Theo van Doesburg opgerichte tijdschrift, beoogde De Stijl 'een wereld van totale harmonie' te scheppen. Dat die harmonie in het collectief zelf volledig ontbrak mocht de pret niet drukken. Binnen de groep was Rietveld slechts één van de spelers, wellicht moet ik hem zelfs als wisselspeler betitelen. Mondriaan was als kunstenaar van enorm belang, Van Doesburg zelf had nauwe contacten met het Bauhaus in Duitsland en Rietveld kende een schare eigenzinnige particulieren uit binnen- en buitenland. Het was vooral de avant-garde die zich met De Stijl inlieten, het grote publiek had niets met de experimenten van deze voorhoede van de modernisten. Zo werd het Rietveld-Schröder huis in zijn tijd vooral neergezet als schoolvoorbeeld van wansmaak. Maar in retrospectief gezien was Rietveld – evenals de overige leden van de Stijl – bezig om in de woelige tijdsgeest ruimte te scheppen voor harmonie, architectuur als experiment pur sang.

Tot slot terug naar Rietvelds erfenis. Onder (jonge) architecten leeft Rietveld niet, 'de stoel' is mogelijk zelfs bekender dan 'het huis'. De vraag is echter of dit erg is. Ik vermoed dat de Nederlandse architectuur zich op dit moment in eenzelfde positie bevindt als ten tijde van Rietveld.
Rietveld zocht in de chaos van een ontluikende moderniteit, tussen twee wereldoorlogen in, naar een agenda voor de architectuur en de kunsten. Vandaag de dag ligt er een kans voor jonge en oude Nederlandse architecten om, tussen tal van crises in, nadrukkelijk op zoek te gaan naar nieuwe agenda's voor het vakgebied. Om te definiëren waarom architectuur ruimte creëert om – waar mogelijk in harmonie – samen te leven. Om te experimenteren met het instrumentarium dat ons is gegeven om de werkelijkheid, net als een kleine eeuw geleden, continu te blijven beïnvloeden.