Feature —

De Traditie Herzien (III)

Joep Broeren

De conclusie van het door het NAi georganiseerde debat De Traditie Herzien deed me denken aan een oude uitspraak van mijn wiskundeleraar. Hij stelde dat het voor hem onmogelijk was om met een dartpijl een dartboard te raken. Immers: hij wilde met de oneindig kleine punt van de pijl een enkel punt van het dartboard raken. Omdat de verzameling punten van het dartboard oneindig groot was, werd de kans om één punt van het bord te raken oneindig klein.

Bijeenkomst De traditie herzien III
Bijeenkomst De traditie herzien III

De aanleiding van het debat waren de felle reacties op publicatie De nieuwe traditie, continuïteit en vernieuwing in de Nederlandse architectuur  (SUN 2010) van Vincent van Rossem en Hans Ibelings. Hierin uiten de auteurs kritiek op de in hun ogen vervreemdende moderne architectuur en prijzen zij de recent tot stand gekomen traditionalistische architectuur en stedenbouw. De publicatie gaf echter geen duidelijkheid betreffende de specifieke kwaliteit en kenmerken van traditionalistische architectuur. Het NAi nam de dappere taak op zich om dit hiaat te vullen door een platform te bieden aan verschillende sprekers.
De eerste verkennende debatavond op 25 maart werd gekenmerkt door de nodige retoriek. Waarbij sympathisanten van traditionalistische architectuur zeer duidelijk de slachtofferrol opeisten. Deze eerste emotionele avond werd op 15 april gevolgd door een lezing vanuit kunsthistorisch perspectief. Wolfgang Voigt (Deutsche Architektur Museum) bracht hierin een van de fascinerendste figuren uit de traditionalistische Stuttgarter Schule naar voren: Paul Schmitthenner. De initiële inhoudelijke vraag kwam hierdoor weer sterk naar voren: wat is nu eigenlijk traditionalistische architectuur in Nederland?

Tijdens de bijeenkomst De Traditie Herzien (III) trachtte men de ontwerpmethodiek van traditionalistische architectuur te verder te ontrafelen. Een tweetal opmerkelijke spelregels vormde de basis van het gesprek. Als eerste werd gesteld dat het begrip traditionalisme een containerbegrip is en dus onbruikbaar en ten tweede wilde men iedere discussie over stijl mijden. Een bont gezelschap van architecten, waarvan een enkeling zich een overtuigde traditionalist noemde, ging met het verzamelde publiek het gesprek aan.

Beelden van onder andere het stadhuis van Hengelo (architect Berghoef) en een veelvoud van Krier en Kohl architectuur in Nederland gaven genoeg reden voor krasse uitspraken. Zo goed als in koor werd bijvoorbeeld gesteld dat “Rob Krier overal Luxemburgse dorpen bouwt”, hiermee “niet hecht aan regionale verankering” en “dus geen traditionele architectuur kan zijn”. Berghoef was te onbekend bij de meesten en daardoor moeilijk te bespreken. Dit hiaat tussen de daadkracht om het onderwerp te visualiseren met meegenomen beeldmateriaal en het gebrek specifieke kennis was exemplarisch voor de reactie op andere beelden.

Het een en ander ontaarde in een proces waarbij middels deductie iedere vermeende onzuiverheid uit het debat verdween. Het doel van dit deductieproces werd niet nader toegelicht. Regionaliteit, overlevering, herkenbaarheid, rituelen, vertrouwdheid en andere begrippen behoorden hierdoor niet tot de instrumentaria van de traditionalistische ontwerpmethodiek(en). Terwijl in De Traditie Herzien II  Wolfgang Voigt overtuigend had aangetoond dat het beginsel (moderne) traditionele methode zich het beste laat omschrijven als de “evolutionaire overlevering van eenvoudige en bewaard gebleven succesvolle traditionele bouwvormen”.

De pogingen van het NAI om de betekenis van eigentijdse traditionalistische architectuur en bijbehorende specifieke kwaliteit te duiden, blijven verzanden in een hartstochtelijk maar gefragmenteerd debat. Moet men niet gewoon erkennen dat de kern van het probleem verankerd zit in het feit dat architecten het begrip ‘traditie’ en ‘ architectuur’ in Nederland om onduidelijke redenen eenvoudigweg niet willen of kunnen samenvoegen? Woensdagavond heeft in ieder geval overtuigend bewezen dat mijn wiskundeleraar gelijk had. Het is niet mogelijk om tot een doeltreffende poging te komen zonder de intrinsieke waarde van een verzameling te erkennen.

Buiten dit door Van Rossem en Ibelings geprovoceerde debat om, lijkt zich een andere werkelijkheid af te tekenen. De leek, de consument, heeft geen enkele moeite traditionalistische architectuur en stedenbouw te herkennen en te waarderen. Dit terwijl slechts een enkele Nederlandse architect zich een traditionalist wil noemen. Recente erkenning van onder andere traditioneel georiënteerde architecten als Berghoef, Granpré Molière, Verhagen en Jos Bedaux heeft geleid tot meerdere publicaties, lezingen en tentoonstellingen. Vanuit wetenschappelijke hoek wordt hiermee voorzichtig invulling gegeven aan de behoefte behaalde successen te doorgronden. In de ons omringende landen wordt bovendien veel minder krampachtig met de discussie over traditionele architectuur omgegaan Zo werd afgelopen vrijdag voor het 4e jaar op rij het symposium ´Neue Tradition´ in Dresden gehouden.

Tijdens dit door de technische universiteit van Dresden georganiseerde debat werden lopende en afgeronde onderzoeken naar traditionalistische architectuur en stedenbouw besproken. Basisbeginselen worden ter discussie gesteld, verschillende methodieken uit uiteenlopende Europese landen vergeleken en concrete resultaten geanalyseerd aan de hand van gedegen onderzoek. Vorig jaar heeft men een bundeling lezingen gepubliceerd onder de titel: Konzepte einer antimodernen moderne in Deutschland von 1920 bis 1960. Volgend jaar zal deel II verschijnen met onder andere bijdragen over Nederlandse, Spaanse, Portugese en Belgische traditionalistische architectuur en stedenbouw. Tientallen onderzoekers houden zich bezig met het onderwerp, deze enorme bron van kennis is de enige juiste basis voor een waardevol debat.

De voorlopige conclusie van het NAi luidt dat een mogelijk volgend debat alleen over stijl moet gaan, de toegepaste deductiemethode heeft immers geleid tot de vaststelling dat  traditionalistische ontwerpmethodiek niet bestaat. Deze opmerkelijke conclusie gaat voorbij aan de praktijk. Succesvolle traditionalistische architectuur heeft duidelijke grondslagen. Gedurende de afgelopen 150 jaar zijn talloze publicaties over dit onderwerp geschreven en een breed spectrum aan architectuur en stedenbouw is gerealiseerd. De pijnlijke vraag die overblijft is: Waarom heeft de vakgemeenschap zoveel moeite met het duidelijk te omschrijven verzameling te herkennen en erkennen?