Opinie —

Plagiaat?

Piet Vollaard

Naar aanleiding van een open brief van Sjoerd Soeters is er rumoer ontstaan over het auteurschap van het Zaanse Huisjes hotel in Zaandam. Soeters beschuldigt Wilfried van Winden (WAM Architecten) van plagiaat, met als bewijsmateriaal een schets die aan de basis van het ontwerp zou hebben gestaan. Kan deze zaak nog boven het particuliere welles-nietes gehalte uitgetild worden?

Hoewel de argumenten van beide partijen al ruimschoots aan bod zijn geweest in de landelijke pers en op het internet, toch even een korte samenvatting. Soeters is supervisor en ontwerper van het masterplan van het gebied Inverdan in Zaandam. Onderdeel van dat plan is een hotel. Soeters vult zelf een deel van dat plan in. Voor andere delen vraagt hij verschillende architecten. Voor het hotel vraagt hij aanvankelijk Dirk-Jan Postel. Soeters toont daarbij naar eigen zeggen een schets: zo wil ik het hebben. Postel ziet af van de opdracht, Soeters vraagt Wilfried van Winden en zegt dezelfde schets te hebben getoond. Van Winden stemt toe, maakt een aantal ontwerpalternatieven, maar kiest uiteindelijk voor de huisjesstapeling ( waarvan Soeters dus zegt dat dat idee door hem is ingegeven). Het hotel wordt opgeleverd en krijgt wereldwijde aandacht. Soeters vindt dat Van Winden zijn rol in het ontwerp moet aangeven. Omdat beide architecten daar om welke reden ook niet uitkomen, schrijft Soeters een lange open brief aan de pers waarin hij Van Winden van plagiaat beschuldigt. Het verhaal is complexer, maar wie de finesses wil weten leze de brief, en artikelen op verschillende website en de dagbladen. Het hek is vanaf dat moment van de dam. Van Winden ontkent de schets ooit te hebben gezien (evenals Dirk-Jan Postel), de media wrijven zich in de handen bij zo’n schandaaltje, en niemand wordt er wijzer van. Voorlopig inhoudelijk dieptepunt is de welles-nietes poll (wie is de architect van de Zaanse Huisjes? Soeters -Van Winden -Weet Niet) die de redactie van de Architect op de eigen website heeft gezet. Aanvankelijk hoopte ArchiNed de kwestie te kunnen negeren tot er een gezamenlijke verklaring zou komen. Nu de zaak zo op straat ligt, is het misschien toch nuttig om te proberen er enige lering uit te trekken.

Allereerst de wettelijke kant van de zaak. Ook als een architect aan de hand van mondelinge of getekende instructies van een opdrachtgever een ontwerp maakt, is de ‘uitvoerende’ (maar opdrachtnemende) architect de auteursrechthebbende. Het doet dus niet ter zake langs welke wegen of op welke gronden tot het ontwerp gekomen is, tenzij daarbij in hoge mate gekopieerd is uit ontwerpen van derden waarop auteursrecht rust. Maar dat is hier niet het geval. Soeters was in zijn rol van supervisor en ontwerper van het masterplan in zekere zin mede-opdrachtgever. Hij stelt dat ook nadrukkelijk in zijn brief: als Van Winden het ontwerp niet naar zijn wens had uitgevoerd, had hij de opdracht niet gekregen. Soeters had bij de opdracht mede-auteurschap kunnen bedingen, maar dat is kennelijk niet gebeurd. Van inbreuk op het auteursrecht, in de zin van ongeoorloofd en zonder toestemming be- of verwerken van werk van derden waarop auteursrecht rust, is dus geen sprake.
Die beschuldiging uit Soeters dan ook niet. Hij spreekt van plagiaat. Hij bedoelt daar mee het zonder bronvermelding namaken van het ontwerp van Soeters zelf. Daar zou hij gelijk in kunnen krijgen als er geen opdrachtgever-opdrachtnemer situatie was geweest. En dan zou het ‘oorspronkelijke ontwerp’, de schets van Soeters, bovendien bekend moeten zijn geweest. En dat ontkent Van Winden. Inmiddels heeft de eerder aangezochte architect Dirk-Jan Postel ook ontkend de schets te hebben gezien. Overigens is het ook nog zo dat er op een idee of een concept geen auteursrecht rust. Dat is pas het geval als dit idee geconcretiseerd is. Of dat in het geval van Soeters’ schets zo is, is niet 100% eenduidig. Het beroep op de overname van stijl – Soeters claimt dat Van Winden eerder nooit een dergelijk decoratie-ontwerp heeft gemaakt – doet niet ter zake. Nog afgezien of Soeters daarin gelijk heeft; op stijl rust geen auteursrecht.
Soeters vergelijkt de situatie met die van de verhouding componist-uitvoerend musicus. Daarin zou Soeters in dit geval de componist zijn, en Van Winden de uitvoerend musicus. Maar feitelijk is die situatie eerder die van het componeren in opdracht; Soeters heeft in zijn ogen Van Winden opdracht gegeven om een liedje te componeren, en heeft daarbij de melodielijn voorgefloten. Van Winden blijft daarmee de componist. De uitvoerende partij (de aannemer) heeft, anders dan in de muziek, in de architectuur helemaal geen rechten.

Wat resteert is beroepsmoraal. Buiten alle juridische rechten om, is het beleefd om – als er van vergaande samenwerking of beïnvloeding sprake is – die invloed of samenwerking ook te noemen. Soeters richt zijn pijlen dan ook voornamelijk op het ontbreken van zijn naam in het boek Fusions. Van Winden stelt dat het om een algemeen essay over het vakgebied gaat, en niet om het ontwerp voor de Zaanse Huisjes. En dat is ook zo. Het middel dat Soeters gebruikt om zijn recht te halen: een beschuldigende brief naar de pers, is zowel wat betreft de aard van de beschuldiging als de daarin gebruikte termen nogal over the top. Het is jammer dat Soeters niet heeft geprobeerd de zaak onderling te regelen en zijn ontegenzeglijk literaire kwaliteiten niet heeft ingezet voor een vlammend essay over de aard en inhoud van het vak zelf.

De situatie waarin Soeters en Van Winden bevinden is niet uitzonderlijk meer in de huidige beroepspraktijk. Ontwerpen is al lang niet meer een zaak van een unieke ‘kunstenaar’ die los van enige beïnvloeding van derden tot een uniek ‘kunstwerk’ komt. Het is zelfs de vraag of deze situatie ooit heeft bestaan. Er is altijd sprake van een opdrachtgever, daarin verschilt architectuur al drastisch van het componeren van muziek, het schrijven van een boek of het maken van een schilderij. Wat in die gevallen een uitzondering is, het werken in opdracht, is in de architectuur dagelijkse praktijk. In de formulering van de opdracht worden in toenemende mate uiterlijke kenmerken van het ontwerp voorgeschreven. Dat gebeurt in masterplannen, door middel van beeldkwaliteitplannen, maar niet zelden ook doordat de opdrachtgever, ook particuliere, met een schets vooraf komt. Daarnaast is er gedurende het ontwerpproces sprake van directe beïnvloeding vanuit verschillende derde partijen: constructeurs en andere adviseurs, welstandscommissies, inspraaktrajecten en noem maar op. En in een tijd van toenemend geïntegreerde contracten (van Design and Build, tot DBFMO) wordt de invloed – en daarmee de rechten – van de uitvoerende partijen ook steeds groter. De uniciteit van een architectonisch ontwerp is een fictie, evenals de uniciteit van de maker. Daarom zijn rechtszaken over auteursrecht in de architectuur altijd zo mistig, en loopt het maar al te vaak uit op een uitspraak waar architecten weinig of niets van snappen.

De claim op het alleenrecht van de architect op het ontwerp strookt dus al lang niet meer met de praktijk van het ontwerpen. Het zou daarom goed zijn als de beroepsgroep zich zou buigen op een betere, meer op de praktijk gerichte, en vooral eenvoudigere set van afspraken rond het auteurschap. Eerder al pleitte ik voor het toepassen van Creative Commons licenties. Daarmee wordt het probleem van de oorspronkelijk rechthebbende echter nog niet opgelost, dat blijft een zaak van ontwerpers onderling. Dat Soeters heeft gemeend het zo hoog en zo openbaar te moeten spelen, is treurig en doet het aanzien van het vak geen goed. De stand in de welles-nietes poll van de Architect is 50/50. Tel uit je winst. Als het niet snel tot een gezamenlijke uitspraak over het tot stand komen van het ontwerp komt, dan blijven beide architecten met een beschadigde reputatie achter. En dat verdient Van Winden noch Soeters.