Feature —

Het Van Eesterenmuseum, van binnen tot buiten

Pieter Winters

Van ambulancechauffeur tot journalist, van ex-cafébaas tot politicus. Voorlopig zit de koffiekamer nog vol met enthousiaste vrijwilligers die worden opgeleid als onder meer rondleider. Maar als het aan directeur Hans van der Schaaf ligt, dan vult het vorige maand onder grote belangstelling geopende Van Eesterenmuseum zich binnenkort met bezoekers voor de tentoonstellingen, lezingen en debatten die er zullen worden georganiseerd.

Het museum is gevestigd in het tot culturele broedplaats omgetoverde voormalige Espritcollege, ook wel Blauwe School genoemd, aan de Burgemeester De Vlugtlaan 125. Het bijzondere aan het museum is dat het na het Bijlmermuseum en Museum Het Schip (Amsterdamse School) het derde museum in Amsterdam is dat zowel over een binnen- als een buitenruimte beschikt.

Het museum is natuurlijk in de eerste plaats gewijd aan de nalatenschap van naamgever Cornelis van Eesteren, de man die in 1935 voor de afdeling Stadsontwikkeling van de Dienst der Publieke Werken het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) tekende. Dit plan wordt wel eens vergeleken met een schilderij van Mondriaan. Vanuit de lucht lijkt de afwisseling van bouwblokken precies op een compositie met blokjes en rechthoekjes. Van Eesteren verhief planologie tot wetenschap, zijn compositie is het gevolg van zorgvuldige berekeningen. Hij bepaalde bijvoorbeeld de onderlinge afstand van de parken op basis van de afstand die een moeder met kinderwagen bereid was af te leggen naar een groene omgeving en onderzocht hoeveel kunstenaars er op de duizend inwoners waren, zodat hij ook atelierwoningen kon toevoegen.

Door aanhoudende berichten over sloop van delen van de Westelijke Tuinsteden, in het kader van de stadsvernieuwing, kwamen buurtbewoners in het geweer. Zij vonden dat er veel waardevols is om te behouden. Uiteindelijk werd een deel van Slotermeer, het tegenwoordige buitenmuseum, tot beschermd stadsgezicht uitgeroepen. Door het activistische verleden en doordat stadsvernieuwing door het beschermde stadsgezicht moeilijker is geworden, wilde de woningbouwcorporaties aanvankelijk niets met het museum te maken hebben. Daarom wil Van der Schaaf afstand doen van die periode: ‘Het museum moet niet buiten de corporaties om willen functioneren. Wij willen juist een neutrale positie innemen, ook op het gebied van sloop, renovatie of afbraak. Wij willen eerder een platform zijn voor inspiratie en informatie.’

En dus is de opstelling van de vaste tentoonstelling zeer neutraal. Aan de hand van een achttal sleutelbegrippen als ‘kunst’, ‘voorzieningen’ en ‘Goed Wonen’ (naar de in 1946 opgerichte stichting die door middel van modelwoningen de ideale inrichting propageerde) wordt kort en bondig een beeld geschetst van de nalatenschap van Van Eesteren in de Westelijke Tuinsteden. Naast de vaste tentoonstelling is er een tijdelijke tentoonstelling ingericht over Geuzenveld naar aanleiding van het boek van Ineke Teijmant, Geuzenveld, veranderende buurten. Het plan is om komend voorjaar een tentoonstelling in te richten over de speeltuintjes van Aldo van Eijck die in de jaren vijftig en zestig overal op lege plekken in de stad verschenen. Het is de bedoeling dat in de tuin van het museum dan enkele bewaarde speeltoestellen worden neergezet.

Het Van Eesterenmuseum bestaat niet alleen uit een binnenmuseum, het buitenmuseum, dat wordt omgeven door het Gerbrandypark, Burgemeester Vening Meineszlaan, Burgemeester Eliasstraat en ringdijk en dat samenvalt met het beschermd stadsgezicht, is minstens zo belangrijk. Maar hoewel het zeer informatief en verklarend is, is het tegelijkertijd problematisch. Want hoe kun je doen aan conservatie, presentatie en restauratie in een stadswijk waar mensen wonen en werken? Die moeilijkheid wordt direct duidelijk tijdens een van de rondleidingen die hier regelmatig worden gegeven. Tegenover het museum wijst gids Leo Tjoelker op een rij woningen met betonnen gevelplaten die haaks op de Burgemeester De Vlugtlaan staan: ‘Kijk, dit zijn de Aireywoningen van J.F. Berghoef uit 1953. Ze zijn bedoeld als noodwoningen voor een periode van tien tot vijftien jaar. Maar inmiddels, bijna zestig jaar later, staan ze er dus nog.’ Er zijn al jarenlang sloopplannen voor de blokken, maar die worden nu geblokkeerd door het beschermd stadsgezicht en door de crisis in de woningbouw, die mede tot gevolg had dat de ontwikkelingscombinatie die de stadsvernieuwing doorvoerde, Far West, inmiddels op de fles is.

Volgens Tjoelker, in het dagelijks leven sociaal geograaf, zou het geen ramp zijn als de woningen toch gesloopt worden, als wat er terugkomt maar dezelfde ‘footprint’ heeft en ongeveer even hoog is. Op die manier wordt het plan van Van Eesteren inderdaad bewaard, maar het roept wel vragen op over originaliteit. Immers, de woningen zijn gebouwd op instigatie van dezelfde Dienst Wonen, die een hele reeks belangrijke architecten uitnodigde, zoals Jan Staal, Jan Rietveld en Aldo van Eijck om het AUP van Van Eesteren in te vullen. Van der Schaaf: ‘De over het algemeen allochtone bewoners willen graag een ander huis, want de woningen zijn tot op de draad versleten. Maar in dit geval heeft een klein groepje “witten” zich ontfermd over tachtig procent allochtonen.’

Naast dilemma’s over behoud en originaliteit roept dit voorbeeld dus ook vragen op over voor wie het museum nu eigenlijk bedoeld is. Volgens Van der Schaaf vertonen de allochtone buurtbewoners zich nauwelijks in het museum, zodat alleen ‘de blanke elite’ overblijft. Maar hij ziet niets in programma’s om de allochtone bewoners bij het museum te betrekken: ‘Kunst gaat niet altijd goed samen met buurtbewoners. Wij zijn een culturele instelling. Het zou heel gekunsteld zijn als we ons ineens tot de allochtone buurtbewoners zouden richten.’ Voor een platform voor inspiratie en informatie zijn er dus nog genoeg vragen over om beantwoord te worden. Dat levert vast nog veel interessante debatten op.