Recensie —

Mik in Beijing

Bert de Muynck

Don’t judge a book by its cover, werd mij altijd verteld. En dat geloof ik graag. Want soms hoor je verhalen over hoe uitgevers, last minute maar met inzicht, schrijvers een nieuwe titel opdringen opdat het boek beter verkoopt. Dat, zo bedacht ik na het lezen van Edzard Miks essay Koolhaas in Beijing, moet – evenwel zonder het inzicht – gebeurd zijn. Want deze publicatie gaat noch over Koolhaas, noch over Beijing.

Over Koolhaas en over Beijing is al veel geschreven. Sinds Rem Koolhaas/OMA de opdracht voor het CCTV-gebouw in Beijing won is er een waaier aan opinies, essays, verhalen en interviews gepubliceerd, waarin Chinese professoren, journalisten en toevallige bezoekers, de ene diepgravender dan de andere, zich over het onderwerp uitlaten. Het CCTV-gebouw is dan ook een interessant gebouw om architectuurtheorieën op los te laten – van het icoon tot het einde van de hoogbouw – en het bouwproces heeft ruimte gelaten voor enkele cliff hangers zoals het moment waarop de beide torens bij elkaar kwamen, de brand in het naburige TVCC-complex en de onduidelijkheid over de uiteindelijke ingebruikname. Beijing is ook de stad waar ik van 2006 tot 2009 gewoond heb, de stad waar ik kunstenaars, critici, architecten en toeristen de meest wilde speculaties over het gebouw en de architect heb horen verkondigen. U begrijpt, ik bespreek Koolhaas in Beijing niet zonder enige voorkennis. Allicht teveel voor een boek dat de lat ongelooflijk laag heeft weten te leggen.

De achterflap heeft het over de schrijver Edzard Mik die CCTV bezocht en “een lyrisch ‘road-essay’ over Koolhaas, Beijing en kunstenaarschap in de 21ste eeuw” schreef. Zelf heb ik het essay, dat op vele plaatsen behoorlijk uit de bocht vliegt, in minder dan anderhalf uur gelezen en nadien anderhalve week getobd of ik wel een recensie wilde schrijven, want over Koolhaas en Beijing gaat dit boek helemaal niet en wat de schrijver over het kunstenaarschap in de 21ste eeuw te vertellen heeft, alhoewel netjes geschreven, boeit en begeestert niet. En een ‘road-essay’? Laat me niet lachen, wie ooit Hunter S. Thompson’s Hell’s Angels heeft gelezen, gebruikt die term niet licht.

De schrijver heeft zeker wat te vertellen over kunst en het kunstenaarschap. Een greep: “Kunstenaars zijn uit de aard van hun werk vertrouwd met de leegte. (…) De mythe dat de kunstenaar in contact staat met het hogere, slaat over op het kunstwerk. (…) Meer en meer wordt de cultuur op haar knieën gedwongen, zodat zij iedereen zal bedienen en in zijn of haar narcisme zal kittelen. Het onvermijdelijke gevolg: het kunstwerk verliest zijn status en is niets meer dan een zoveelste te consumeren beeld.” Over Koolhaas, gedwongen te figureren als kunstenaar in dit essay, wordt het volgende geschreven: “Hij is overal aanwezig, de hele wereld is er voor hem. Hij heeft de werkelijkheid nodig zoals de werkelijkheid hem nodig heeft. Zo gretig affirmeert hij wat er is ontstaan en zich kan handhaven, dat hij als een demiurg alles geschapen lijkt te hebben en we dus eigenlijk in zijn visioen figureren.” Edzard Mik kan dan ook tot geen andere conclusie komen; hij schrijft een essay dat Koolhaas als een nieuw type kunstenaar wil voorstellen en kwam gelukkig tot de vaststelling dat Koolhaas met het CCTV-gebouw toont dat hij dat nieuwe type kunstenaar is. Een quote van Marshall Berman en drie van Koolhaas, uit de periode 1970-2000, geven het essay een patina van pseudo-onderzoek.

Het 114 pagina’s tellende essay brengt Koolhaas en Beijing pas op tweederde samen, het moment waarop de schrijver in Beijing aankomt. Veel meer dan eerste indrukken en gemeenplaatsen over de Chinese hoofdstad weet de schrijver niet verzinnen. Hij bezoekt de Verboden Stad, het Opera gebouw en het Olympisch Stadium – bericht er ruim over, maar vreemd genoeg niet over Beijing Capital Airport – en schrijft zijn gids Fei Fei prominent als enigste Chinese bron het verhaal in. Zij heeft dan ook “een mooi, rond gezicht, dromerige oogopslag, en groeide nog op onder het regime van de communistische partij.” Hallo? Onder welk regime groeien China’s kinderen vandaag op? Nergens wordt echt duidelijk wat Edzard Mik in Beijing verloren heeft en hijzelf lijkt het ook niet te weten. Frappant is dat hij gewag maakt van een art district in de stad – allicht het overbekende 798 art district, maar de moeite niet lijkt te hebben genomen dat te bezoeken en zijn eerdere uitgebreide persoonlijke reflecties over het kunstenaarschap aan dat van de hedendaagse Chinese kunstenaar te toetsen. Betreurenswaardig.

Wat tijdsduiding betreft is het essay ook onduidelijk – er is een hint dat hij na de TVCC brand in Beijing was en als ik zijn traject bekijk, lijkt hij achtenveertig uur in de stad te zijn geweest. Dat is zijn goed recht. Tenenkrommend wordt het pas in de laatste twintig pagina’s. Ik kreeg kramp toen ik zijn aanzet tot zijn bezoek aan het CCTV las: “Het CCTV gebouw is niet volstrekt verschillend van de omliggende kantoortorens.” Wie, maar wie dan ook, vroeg ik me af, durft dit, eenmaal oog in oog met het gebouw, te poneren? In de laatste vijftien pagina’s wordt de langverwachte ontmoeting dan eindelijk beschreven, als Edzard Mik – mogelijk tijdens een strak geleid persbezoek waar tientallen journalisten deel van uitmaken – het CCTV bezoekt met Rem Koolhaas, Ole Scheeren en Dongmei Yao.

Wie in die pagina’s verwacht dat Koolhaas even de essayist terzijde neemt en een scherpe analyse neermikt over Beijing, kunstenaarschap, Dali, de rol van CCTV in het nieuwe China, etc… komt van een koude kermis thuis. Nergens komt de architect aan het woord en het bezoek aan CCTV vat de schrijver samen in nog minder woorden dan deze recensie.

“Over de architect Rem Koolhaas is veel, grondig en oppervlakkig geschreven,” zo stelt Lex ter Braak, directeur van het Fonds BKVB en als zodanig opdrachtgever van dit essay, in zijn voorwoord. Hij schrijft dat de schrijver “bewust de architectuurtheorie achter zich laat om de ruimte van de persoonlijke ervaring in kaart te brengen. Toevallig of niet, zijn benadering weerspiegelt op een ander niveau de ontwerppraktijk van Koolhaas.” Dat ander niveau moet vast en zeker het ondermaatse zijn en aan de eerdere opsomming hoort ‘overtollig’ toegevoegd worden. Begrijp me niet verkeerd; ik heb niets tegen persoonlijke ervaringen, wel tegen luiheid, gemakzucht en overtolligheid. Mik in Beijing was misschien een betere titel voor het essay geweest, maar dan zou ik het nog niemand aanraden.

Het boek is wel mooi vormgegeven. Laat u niet misleiden.