Feature —

Geluid en Ruimte

Peter Veenstra

Eind oktober vond in NAiM/Bureau Europa in Maastricht het tweedaagse symposium An inquiry into the spatial, the sonic and the public plaats. In elf lezingen en vier performances werd de relatie tussen ontworpen ruimte en de akoestische ervaring belicht. Kunstenaars voerden deze twee dagen de boventoon in het architectuurcentrum. Interessant was om te zien hoe de gebouwde ruimte vanuit een heel andere praktijk wordt benaderd. Dat gaat een stuk subtieler dan veel (landschap)architecten en stedenbouwers gewend zijn.

Geluid is een thema dat de laatste tijd op veel architectuuragenda’s is verschenen. De afgelopen maanden richtte Arcam een expositie in over het thema en organiseerde de Academie van Bouwkunst in Amsterdam een lezingenreeks. Eerder wijdde OASE er een editie (nr. 78 – Immersed) aan. En ook internationaal is het onderwerp populair: tijdens de laatste architectuurbiënnale in Venetië was de geluidsinstallatie van Janet Cardiff één van de grote hits en volgend jaar wordt het geluid- en architectuurfestival Tuned City wegens groot succes in Tallinn herhaald.

Vanwaar die grote interesse voor geluid en architectuur? Bureau Europa-directeur Guus Beumer, die het symposium opende, zag het als hernieuwde belangstelling voor architectuur als autonome discipline. Als we realiteit tegenover abstractie zetten, heeft de architectuur zich in de laatste decennia vooral met het eerste bezig gehouden, met veel aandacht voor politiek en de sociale betekenis van architectuur. Hoe belangrijk dit ook is, er moet ook ruimte zijn voor de kwetsbaarheid van abstractie. Geluid en muziek kunnen een esthetische inspiratie vormen voor ruimtelijke ontwerp. Dat is geen nieuwe gedachte; Pythagoras ontdekte al een overeenkomst tussen de harmonische verhoudingen in architectuur en de harmonische samenklanken in muziek, en geloofde dat in beide een afspiegeling van een universele harmonie te vinden was. Geïnspireerd door dit idee beschreef Goethe kathedralen als de bevroren muziek van de middeleeuwen. Maar ook in moderne architectuur vormde muzikale compositie een belangrijke inspiratiebron voor architecten zoals Libeskind (professioneel pianist voordat hij architect werd) en Xenakis (hoofdontwerper van het Philipspaviljoen op de wereldtentoonstelling van 1958).

Geluid heeft natuurlijk meer dan alleen een esthetische betekenis; het is een essentiële informatiestroom in het dagelijks leven. Het gehoor en het gezichtsveld zijn de meest ontwikkelde zintuigen, die samen de mens in staat stellen te communiceren, zich te oriënteren en gevaar te herkennen. Als je door de stad, de natuur of een gebouw beweegt, komt alle betekenis en informatie die je eraan ontleent voort uit de audiovisuele ervaring. Het is zelfs zo dat bij het wegvallen van het gezichtsvermogen, het gehoor de volledige ruimtelijke waarneming kan overnemen. Door middel van echolokalisatie zijn blinde mensen in staat om puur op gehoor door de stad te lopen, gebouwen waar te nemen of zelfs te mountainbiken in het bos. Het belang van de auditieve ervaring spreekt in veel creatieve disciplines voor zich. Bij de productie van theater, film en games worden beeld en geluid altijd nauwkeurig gecombineerd, om zo een overtuigende simulatie van de werkelijkheid te construeren. Ook bij industrieel ontwerp is sound design een steeds belangrijker onderdeel. Of het nou om auto’s, wasmachines of koffiezetapparaten gaat, het geluid van de motor en elk knopje is zorgvuldig ontworpen en getest op gebruikers. Een bekend voorbeeld is het Senseo koffiezetapparaat, wat pas een succes werd nadat het geluid van de aanvankelijk geflopte eerste versie was herontworpen.

Deze meer praktische kant van geluid is binnen de ruimtelijke ordening vooral terug te vinden in maatregelen die erop gericht zijn om geluidsoverlast te minimaliseren, zoals geluidsschermen, stiltegebieden en een scala aan geluidsisolerende bouwmaterialen. Deze aandacht voor geluidsoverlast is terecht, omdat het negatieve gevolgen heeft voor de volksgezondheid (na fijnstof is verkeerslawaai de meest levensverkortende vorm van milieuvervuiling). Maar er wordt vrijwel nooit actief op geluid ontworpen, met de bedoeling om de ervaring van de publieke ruimte te intensiveren of te verbeteren. Het gevolg daarvan is dat de soundscape van publieke ruimte niet meer dan een toevallig bijproduct is. In The Tuning of the World beschreef Murray Schafer eind jaren zeventig voor het eerst hoe de klank van de stad onder invloed van industrie, verkeer en airconditioning steeds meer gaat lijken op white noise. De stad resoneert, galmt, echoot, dempt of isoleert alle stadsgeluiden en heeft daarmee een grote invloed op het klankbeeld. Ontwerpers kunnen hier op inspelen door verkeer en functies zoals scholen te plannen, door de hardheid van gevels en openheid van straatwanden te bepalen, bomen te planten en het materiaal van de verharding te bepalen. Binnen een gebouw liggen dezelfde mogelijkheden, zij het minder complex en beter controleerbaar: veel preciezer dan buiten kunnen voorspellingen worden gedaan over galm en andere akoestische effecten. Toch wagen weinig architecten zich hieraan.

Geluidskunstenaars reageren op verschillende manieren op de ontworpen ruimte, zoals die door (landschaps)architecten en stedenbouwers wordt achtergelaten. Het soort geluidskunst hangt af van de mate waarin de kunstenaar de ruimte beïnvloedt. Zo is er een groep die in de ruimte volledig ongemoeid laat, door alleen de bestaande klanken op te nemen. Net als bij fotografie is de opname de creatie, die later al dan niet wordt geresampled. Vanuit dezelfde houding worden er sound walks georganiseerd; luistertochten langs akoestisch interessante trajecten om beter te luisteren naar alledaagse geluiden. De meeste geluidskunstenaars gebruiken echter de ontworpen ruimte als plek voor tijdelijke ingrepen. Met nieuw geluid kunnen de akoestische eigenschappen van een gebouw worden onderzocht en benut, wat kan leiden tot een bijzondere ruimtelijke ervaring. Ook kunnen bestaande geluidsbronnen, zoals die van menselijke activiteit, wind of zoemende apparatuur, worden gebruikt en vervormd tot een esthetisch klankenspel. Met deze tijdelijke ingrepen wordt de ruimte (her)laden met een gebeurtenis, en de perceptie van de ruimte omgebogen. Zo liet architect en geluidskunstenaar Raviv Ganchrov een prachtige opname horen gemaakt in een hangar in Tallinn. Het dak van dit gebouw bestond uit drie koepelvormen, die weliswaar samen één grote ruimte vormden, maar akoestisch een veel complexere structuur van ruimtes en verbindingen voortbrachten. Als laatste is er een groeiende groep die permanente installaties voor openbare ruimte of gebouwen maakt. Als een soort geluidssculpturen gaan deze werken een duurzame relatie aan met de ruimte, en hebben ze een permanente invloed op de klankruimte van de plek. Janek Schaefer presenteerde op het symposium de plannen voor een sound pool in een park in Bradford, waar een vijver als geluidsspiegel gaat fungeren voor een permanente geluidsinstallatie. Wellicht een beter voorbeeld nog is de Cultuurmijl in Enschede: een route waarlangs een aantal permanente geluidskunstwerken wordt gerealiseerd, dat de bezoeker als het ware van de binnenstad naar een aantal culturele instellingen in de wijk Roombeek trekt. Geluidskunst gaat hier echt als culturele laag functioneren, die de fysieke inrichting van de openbare ruimte complementeert en de route versterkt.

Op het symposium werden veel mooie voorbeelden getoond, maar ook kritische vragen gesteld over de reikwijdte van geluidskunst. Raviv Ganchrow stelt zichzelf de vraag waarom geluid in architectuur nooit een expressief element is geworden zoals licht. Daar zijn meerdere redenen voor te noemen, zoals het feit dat het gros aan media binnen de architectuur visueel zijn: bladen, blogs en boeken. Daarbovenop is het bijna onmogelijk om een opname te maken van geluid die ruimtelijk dezelfde ervaring teweegbrengt als de originele uitvoering. Veel geluidskunstenaars zijn volgens Esther Venrooy zo sensitief met ruimte bezig, dat apparatuur niet gevoelig genoeg is om deze verfijning vast te leggen. Daardoor wordt het hoogdrempelig, net als wijnproeven; maar weinig mensen kunnen een Chateau Mouton-Rothschild uit ’45 op waarde schatten.

Een andere vraag is of geluid als artistiek medium in staat is om een boodschap over te brengen. De Israelische geluidskunstenaar Eran Sachs begon zijn artistieke carrière met abstract werk dat hij niet wilde laten infecteren door politiek. Later raakte hij politiek geëngageerd, wat volgens hem resulteerde in een ‘sarcastic little approach’ bedoeld om op kleine schaal een mentaliteitsverandering te veroorzaken. Daarvoor bleek geluid ontoereikend; het is abstract en niet verhalend, het kan geen betekenis overbrengen. Zijn soundtrack voor Yannun Yannun bestaat bijvoorbeeld uit opnames van een Palestijns dorp, waarvan de bewoners zijn weggetreiterd door Israëlische kolonisten. Er zijn vogels, bomen, en een paar spelende kinderen te horen, maar zonder uitleg hebben deze geluiden geen enkele politieke lading. Zonder de mogelijkheid van een verhalende boodschap dreigt geluidskunst soms veilig en decoratief te worden, iets waar niemand echt tegen kan zijn, zoals bij veel voorbeelden van lichtkunst.

De programmering van het symposium was breed, en ging daarom niet de diepte in. Dat is jammer, want verdieping is nodig om geluidskunst verder te ontwikkelen tot volwassen kunstvorm. Toch werden er voldoende inspirerende voorbeelden gepresenteerd om te overtuigen dat geluid onterecht wordt genegeerd in de architectuur. Dankzij technologische ontwikkeling verbeteren de mogelijkheden om akoestische effecten te berekenen, geluiden op te nemen, te simuleren en af te spelen. Wellicht dat dit nog eens zal leiden tot de emancipatie van het gehoor in het ruimtelijk ontwerp. Tot die tijd blijft geluidskunst een kleine maar boeiende wereld.